Article

15.05.2018

Onroerend goed kopen met uw vennootschap? Ja, maar...

Er komen striktere regels voor “gesplitste aankopen” van onroerend goed via een vennootschap. Deze fiscaal voordelige constructie voor bedrijfsleiders moet dus meer dan ooit met de nodige omzichtigheid worden toegepast. Een woordje uitleg.

De constructie “vruchtgebruik/naakte eigendom”

De “gemengde” aankoop (privé-professioneel) van onroerend goed is al jarenlang een gangbare praktijk. Het is dan ook een fiscaal voordelige oplossing. Het principe van deze constructie? Het volledige eigendom van het onroerend goed opsplitsen. De vennootschap krijgt voor een bepaald bedrag (een deel van de aankoopprijs) het vruchtgebruik van het goed. Dat betekent dat ze het recht heeft het goed te gebruiken zonder huur te betalen gedurende een bepaalde periode (meestal 20 tot 30 jaar). De bedrijfsleider van zijn kant krijgt het naakte eigendom, waardoor hij wanneer het vruchtgebruik ten einde is het volledige eigendom van het gebouw terug op zich kan nemen zonder een euro extra te moeten betalen.

De inzet: de waardering van het vruchtgebruik

Waarom deze constructie zo interessant is? Omdat ze de kost van het vruchtgebruik maximaal verhoogt voor de vennootschap. Hoe meer de vennootschap betaalt, hoe minder de bedrijfsleider moet neertellen op het moment van de aankoop (om nog maar te zwijgen over de bijhorende belastingen, vergoedingen, registratierechten, ...). Het bedrijf kan bovendien de lasten van het onroerend goed (onroerende voorheffing, onderhoudskosten, financiële lasten, ...) aftrekken en de waarde van het vruchtgebruik afschrijven over de voorziene periode. Een droomscenario op fiscaal vlak dat tot een aantal uitspattingen heeft geleid op het moment van de “evaluatie van het vruchtgebruik”. Geen toeval dus dat de fiscale administratie zich al enkele jaren over de kwestie buigt om enigszins orde op zaken te stellen.

Fiscus treedt strenger op

De fiscale administratie maakte tot hiertoe gebruik van een formule - de zogenaamde methode Ruysseveldt - om de waardering van het vruchtgebruik te berekenen op basis van het geactualiseerde product van het bruto huurrendement tijdens de duur van het vruchtgebruik. Deze benadering leidde echter tot overschattingen en was volgens de fiscus dus niet doeltreffend genoeg... Daarom heeft de administratie sinds kort beslist om een andere formule te gebruiken voor de economische waardering. Eentje die aanzienlijk strenger is. In feite gaat het om de methode die al gebruikt werd door de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken (DVB) van de FOD Financiën om een raming te maken van de dossiers die sinds 2016 werden ingediend. Ter herinnering: de DVB heeft ook een “prefiling procedure” uitgewerkt voor vruchtgebruikconstructies (voor indiening van de officiële aanvraag). Dit om de toekomstige operatie een zekere juridische veiligheid te geven.

DVB-formule veel minder voordelig

Deze herziening van de fiscale administratie zou enkele bedrijfsleiders wel eens zuur kunnen opbreken. Het resultaat van de twee formules verschilt immers behoorlijk... We nemen als voorbeeld onroerend goed met een aankoopprijs van 500.000 euro, waarvan de vennootschap het vruchtgebruik heeft voor 425.000 euro (wat overeenkomt met 85%) volgens de methode Ruysseveldt. Dat wil zeggen dat de bedrijfsleider slechts 75.000 euro betaald heeft voor het naakte eigendom. Volgens de nieuwe methode van de fiscale administratie zou de economische waardering van het vruchtgebruik eerder 60% bedragen en die van het naakte eigendom 40%. Daardoor zou de bedrijfsleider 125.000 euro meer moeten neertellen. En dat verandert de zaak natuurlijk!

Voorzichtigheid is geboden!

Bedrijfsleiders die van deze constructie gebruik willen maken, moeten dus voorzichtiger zijn dan ooit. Het is daarbij onder andere belangrijk om aan te tonen dat de constructie voldoet aan een echte economische logica. Een doordachte ondernemer verzekert dus dat hij de rendabiliteit van het onroerend project voor de vennootschap kan bewijzen en het vruchtgebruik evenals de duur ervan juist waardeert. We geven tot slot nog mee dat het mogelijk is om de goedkeuring van de fiscale administratie te vragen via de website van de fiscale ruling.

Article

23.08.2016

Kapitaalmarktenunie: Het draait niet om ons, het draait om u

Hoe moeten de kapitaalmarkten en de regelgeving in Europa geharmoniseerd worden? Petra De Deyne, Regulatory Affairs Manager voor Global Markets bij BNP Paribas, analyseert het nieuwe initiatief van de Europese Commissie om een eengemaakte markt op te bouwen voor alle 28 lidstaten van de Unie.

Financiële stabiliteit was na de crisis van 2007-2008 dé topprioriteit voor de Europese Commissie. Om die stabiliteit te herstellen moest de veerkracht van banken worden versterkt en het systeemrisico op de markten worden ingedamd, wat leidde tot de bekende 'tsunami' aan regelgeving vanuit Brussel. Het meeste werk om de banken en markten opnieuw stabiel te krijgen is nu afgerond, en de respectieve wetgeving is ingevoerd of zal binnenkort worden ingevoerd.

Groei als prioriteit

De volgende taak voor de Europese Commissie is nu om groei te creëren. Daarvoor moeten ondernemingen investeren en hun activiteiten laten groeien en uitbreiden. In het verleden waren ondernemingen die wilden uitbreiden erg afhankelijk van bankkredieten. Maar na de invoering van kapitaal- en liquiditeitsvereisten vonden sommige banken het moeilijker om hun rol als traditionele kredietverstrekker te vervullen. Toen grotere ondernemingen hun bankfinancieringsbronnen zagen opdrogen, wendden ze zich tot de kapitaalmarkten. Daar kregen ze echter niet altijd gunstige leningsvoorwaarden en vonden ze niet altijd geïnteresseerde beleggers. Voor een aantal kleinere ondernemingen is het zo heel moeilijk geworden om aan financiering te komen. Een onderzoek van de ECB en de Europese Commissie in 2014 naar de toegang tot financiering voor ondernemingen (SAFE) toonde aan dat 35% van de kmo's in 2013 niet de volledige financiering kreeg die was aangevraagd bij de bank.

Als we kijken naar de VS, dan zien we dat ondernemingen daar ongeveer driekwart van hun financiering rechtstreeks uit de kapitaalmarkt halen en dat ze maar in beperkte mate een beroep doen op bankkredieten. In Europa is de situatie net omgekeerd, en daarom vroeg de EU zich af of ze een financieringslandschap kon creëren dat meer zou lijken op de situatie in de VS. Dat zou betekenen dat wie financiering nodig heeft, rechtstreeks in contact komt te staan met diegenen die geld willen investeren. Dit zou ervoor zorgen dat de reële economie minder afhankelijk wordt van banken, wat op zijn beurt zou bijdragen tot de financiële stabiliteit. In dat geval is er echter nood aan een geharmoniseerde, goed geïntegreerde kapitaalmarkt in Europa. En dan komen we bij het initiatief van de Europese Commissie: de vorming van een Kapitaalmarktenunie.

Kort samengevat houdt de Kapitaalmarktenunie het volgende in: het plan is om een eengemaakte markt voor de 28 lidstaten van de Europese Unie tot stand te brengen, waarin enerzijds de financieringsbronnen voor ondernemingen worden gediversifieerd - dus verder gaan dan bankkredieten - en anderzijds de investeringsmogelijkheden en investeringsbasis worden verruimd.

Wat is het plan?

In "het Plan", dat in oktober 2015 door de Europese Commissie is gepubliceerd, zijn vier duidelijke doelstellingen vastgesteld:

  1. Werkgelegenheid en groei ondersteunen
  2. De financiering beter koppelen aan investeringsprojecten in de EU
  3. Het financiële stelsel stabieler maken
  4. De financiële integratie verdiepen en zorgen voor meer concurrentie

In "het Plan" worden ook vijf prioritaire actiegebieden genoemd, met meer dan dertig verschillende initiatieven voor herzieningen, beoordelingen, rapporten, initiatieven en wetgevingsvoorstellen die allemaal tussen nu en 2018 moeten worden uitgevoerd.

De eerste prioriteit is om meer financieringskeuzes te bieden aan Europese ondernemingen en kmo's. Hier zullen we initiatieven zien om durfkapitaal en innovatieve financieringsvormen, zoals crowdfunding, te ondersteunen. De EU denkt ook na over manieren om investeerders bepaalde gegevens over kmo's te verstrekken, zodat ze weloverwogen investeringsbeslissingen kunnen nemen.

In de tweede plaats moeten langetermijninvesteringen worden bevorderd. Een initiatief dat hiermee verband houdt is het herzien van de kapitaalvereisten voor verzekeraars zodat er beter wordt ingespeeld op hun investeringsbehoeften. Ook zullen er maatregelen moeten worden genomen om investeringen in infrastructuurprojecten te bevorderen.

In de derde plaats moet de waaier aan investeringskeuzes voor zowel niet-professionele als institutionele beleggers worden verruimd. Op dit vlak zien we onder meer stimulansen om pensioensparen en onderhandse plaatsingen te bevorderen.

De vierde prioriteit bestaat erin om de kredietverleningscapaciteit van banken te verbeteren. Dit lijkt misschien tegenstrijdig, aangezien het juist de bedoeling van de Kapitaalmarktenunie is om de rol van traditionele kredietverlening terug te dringen. Voor veel kmo's zullen banken echter de belangrijkste financieringsbron blijven. Europa wil er dan ook voor zorgen dat banken meer activa van hun balans kunnen halen, zodat ze meer ruimte hebben om kredieten te verstrekken.

En tot slot wil de EU barrières voor grensoverschrijdende investeringen tussen de lidstaten neerhalen. Dit is een vrij ambitieus project, waar bepaalde fiscale kwesties moeten worden aangepakt voor we een harmonisatie kunnen zien op het vlak van nationale insolventie- en effectenwetgeving.

Onmiddellijke actie

Tegelijk met de publicatie van "het Plan" bracht de Europese Commissie een aantal wetgevingsvoorstellen uit. Ze startte ook drie raadplegingen om de kortetermijnacties meteen te lanceren en het hele project op de rails te zetten.

De Europese Commissie onderneemt onmiddellijke actie op het vlak van securitisatie. Dit lijkt misschien controversieel, aangezien sommigen deze activiteit nog steeds beschouwen als de bron van alle kwaad. Securitisatie is echter een essentieel instrument om de economie te financieren en staat hoog op de agenda van de Commissie. Om de securitisatiemarkt een nieuwe impuls te geven, kwam de EU met een wetgevingsvoorstel met een dubbel doel:

  • In de eerste plaats het herstellen van het vertrouwen. Om die reden wordt een kwaliteitslabel geïntroduceerd: “Eenvoudige, Transparante en Gestandaardiseerde" (STS) securitisaties. Dit wil zeggen dat elke "STS"-securitisatie zal voldoen aan meer dan twintig verschillende standaarden, waardoor beleggers beter geïnformeerd zijn over deze producten en de kwaliteit verzekerd wordt. In de tweede plaats stimuleert het voorstel banken om de activiteit opnieuw op te starten door deze STS-securitisaties een betere kapitaalbehandeling te geven in vergelijking met andere vormen van securitisatie.
  • Daarnaast heeft de EU een voorstel gedaan om de Solvabiliteit II-regels voor verzekeraars aan te passen, zodat deze minder kapitaal hoeven aan te trekken wanneer ze investeren in langetermijninfrastructuurprojecten of Europese Langetermijnbeleggingsinstellingen (ELTIF's).

Ook dient te worden opgemerkt dat de Europese Commissie onderzoek doet naar gedekte obligaties. Op dit moment zijn er in de EU 26 verschillende raamwerken voor gedekte obligaties, wat een zekere harmonisatie beslist nuttig zou maken. Hoewel de Commissie geen gemeenschappelijk kader voor Europa beoogt, zou ze wel de beste praktijken willen bevorderen, de transparantie willen verhogen en belemmeringen voor grensoverschrijdende investeringen willen wegnemen. Ook lanceerde ze een raadpleging over durfkapitaal en een oproep om informatie te verzamelen over de cumulatieve effecten van financiële wetgeving.

Administratieve lasten verminderen

Op middellange termijn wordt een herziening van de Prospectusrichtlijn verwacht. Dit is een logische stap, aangezien de EU graag veel meer ondernemingen rechtstreeks naar de kapitaalmarkt wil lokken om schuldpapier uit te geven. Prospectussen enerzijds goedkoper en minder omslachtig maken voor kleine emittenten, en anderzijds gebruiksvriendelijker maken voor beleggers, zou in dat opzicht een welkome steun zijn.

Een ander initiatief is een Groenboek (een eerste, algemene uitwisseling van visies tussen de EC en de sector om een bepaald onderwerp te verkennen) over financiële diensten voor consumenten. Hierin onderzoekt de Europese Commissie manieren om de concurrentie te vergroten en consumenten toegang te geven tot een bredere waaier aan diensten om zo de beste deal te kunnen sluiten op het vlak van hypotheekleningen, spaarproducten, verzekeringen, bankrekeningen etc.

Op lange termijn, laten we zeggen 2017/2018, kunnen we verdere stappen verwachten om kmo-groeimarkten en onderhandse plaatsingen te ondersteunen, evenals plannen voor een pan-Europees pensioenfonds. Ook bronbelasting en insolventiewetgeving zullen aandacht krijgen.

Voordelen voor bedrijven

Alles samen behelst de Kapitaalmarktenunie ongetwijfeld een volle en ambitieuze agenda. Maar wat levert dit alles nu eigenlijk op voor bedrijven? Mogelijk heel veel. We beseffen echter dat de weg naar een echte Kapitaalmarktenunie weleens heel lang zou kunnen worden. 2019 lijkt akelig dichtbij voor een aantal veranderingen die nog moeten plaatsvinden. Het herbalanceren van de financiële bemiddeling, bijvoorbeeld, zal hoogstwaarschijnlijk eerder een geleidelijk, natuurlijk proces zijn dat samengaat met politieke belangen, FinTech-ontwikkelingen etc., in plaats van een grote verschuiving op een welbepaald ogenblik.

Ook zal er een mentaliteits- en gedragsverandering nodig zijn bij alle betrokken stakeholders. De effecten van een Kapitaalmarktenunie kunnen meer uitgesproken zijn voor de bedrijfssectoren in bepaalde landen met relatief kleine kapitaalmarkten. Voor deze landen kunnen een aantal initiatieven bijzonder gunstig zijn. Het is mogelijk dat hun binnenlandse kapitaalmarkten op dit moment hun grote ondernemingen niet kunnen bedienen, waardoor ze deze wegduwen naar de internationale markten. De Kapitaalmarktenunie zou ervoor kunnen zorgen dat ze terugkeren en hun markten kunnen uitbreiden.

De voordelen van de Kapitaalmarktenunie zullen uiteenlopend zijn voor verschillende types bedrijven:

  • Starters zullen speciale aandacht krijgen, aangezien hun innovatie- en ondernemersgeest uitermate belangrijk is voor het groeipotentieel van Europa. Op dit moment kunnen starters gebruikmaken van crowdfunding en 'business angels', maar deze financieringsbronnen blijven beperkt en lokaal en voorzien niet altijd in de nodige financiering op cruciale momenten tijdens het uitbreidingsproces. De initiatieven om bijvoorbeeld de rol van durfkapitaal te vergroten kunnen in dat opzicht zeer gunstig zijn.
  • Kleine ondernemingen die het moeilijk hebben om aan bankfinanciering te komen, voornamelijk in die landen die het meest getroffen zijn door de crisis, kunnen meer financiering verkrijgen via securitisatie. Met name kmo's kunnen positief beïnvloed worden, aangezien het bedoelde neveneffect van securitisatie inhoudt dat banken hun kredietverleningscapaciteit kunnen verhogen, en we weten dat bankkredieten voor dit soort ondernemingen een zeer belangrijke bron van financiering kunnen blijven. Voorts wil de Europese Commissie ook nauw samenwerken met de kmo-groeimarkten, een nieuwe marktsubcategorie die is gecreëerd in het kader van de MiFID II-richtlijn om de toegang tot kapitaal voor kmo's te vergemakkelijken, zodat het regelgevingsklimaat voor deze markten de verwachte resultaten oplevert.
  • Middelgrote en grote ondernemingen, die misschien al toegang hebben tot kapitaalmarkten, zouden ook de effecten moeten voelen, aangezien de Kapitaalmarktenunie ondersteuning zal bieden aan beleggers die grotere kapitaalbedragen in de markt willen investeren. Het initiatief om onderhandse plaatsingen te bevorderen, voortbouwend op succesvolle ervaringen zoals die in Duitsland en via de steun aan initiatieven vanuit de markt, zoals dat van de ICMA inzake het gebruik van gestandaardiseerde documentatie, zou bijzonder zinvol kunnen zijn. Fiscale kwesties aanpakken zou eveneens behulpzaam zijn.

Wat ook belangrijk is, is dat de Europese Commissie van plan is om de werking van de Europese markt voor bedrijfsobligaties te herzien en te bekijken hoe de marktliquiditeit verbeterd kan worden. Een goed werkende secundaire markt zal van cruciaal belang zijn voor het succes van de primaire schuldmarkten.

In algemene zin is de Kapitaalmarktenunie een ambitieus, maar uitdagend plan van de Europese Commissie. Ambitieus omdat het de traditionele financieringsbronnen in Europa wil herzien. Uitdagend door het uitgebreide scala aan problemen die moeten worden aangepakt om er te geraken en de strakke deadline te halen. Uiteindelijk zouden ondernemingen beleggers moeten ontmoeten op een efficiënte markt, waardoor de waaier van mogelijkheden voor beide partijen wordt verruimd en op die manier wordt bijdragen aan de economische groei.

(Bron: Focus Magazine CIB (pdf – enkel beschikbaar in het Engels)

Article

24.10.2016

Kilometervergoeding voor elektrische fiets niet altijd fiscaal vrijgesteld

Werknemers die met de fiets naar het werk rijden, kunnen een fietsvergoeding krijgen tot 22 eurocent per kilometer. De regeling geldt in principe ook voor elektrische fietsen. Sommige modellen zoals de speed pedelec, vallen echter uit de boot.

De elektrische fiets wint terrein: ruim één op vier verkochte tweewielers is een elektrisch exemplaar.  Steeds meer mensen gebruiken hun fiets ook om te pendelen. Werkgevers kunnen hun fietsende medewerkers een fietsvergoeding uitbetalen. Tot 0,22 EUR per kilometer is die vergoeding fiscaal onbelast. Het moet dan wel gaan om een “klassieke” elektrische fiets:

  • met een maximumsnelheid van 25 km/u;
  • met een motor van maximum 250 watt;
  • met trapondersteuning, wat betekent dat de fietser ook moet trappen, er mag dus geen sprake zijn van een autonome motor.

Niet voor speed-pedelecs

Die voordelige regeling geldt dus niet voor speed pedelecs, zeg maar de Formule 1-versie van de elektrische fiets. Speed pedelecs kunnen snelheden tot 45 km/u halen. Sinds 1 oktober moeten bestuurders daarom een helm, rijbewijs en verzekering hebben.

Voor alle duidelijkheid: pendelaars die gebruik maken van een speed pedelec kunnen wel degelijk een kilometervergoeding krijgen van hun baas. Maar die uitkering wordt dan wel  beschouwd als een belastbaar inkomen. De werknemer zal dus zowel RSZ als bedrijfsvoorheffing moeten betalen. Op die regel bestaat één uitzondering: medewerkers die kiezen voor een forfaitaire aftrek van hun beroepskosten. Zij hebben recht op een fiscale vrijstelling van maximum 380 EUR.

Wat met bedrijfsfietsen?

Werkgevers kunnen hun medewerkers een fiets ook ter beschikking stellen. Alle kosten die daaruit voortvloeien, onder andere het onderhoud, zijn vrijgesteld van belastingen. Voorwaarde is dat de medewerker de fiets daadwerkelijk gebruikt voor zijn woon-werkverkeer, al zijn zuivere privé-verplaatsingen ook toegestaan. Deze regeling geldt alleen voor de klassieke elektrische fietsen. Speed pedelecs vallen (opnieuw) niet onder deze fiscale vrijstelling.

(Bron: Partena)
Article

11.12.2016

Waarom het Europees Hof van Justitie het einde van de fairness tax aankondigt

Volgens de advocaat-generaal van het Hof van Justitie is de fairness tax in strijd met de Europese fiscale regelgeving. Maar wat zijn de gevolgen voor de Belgische bedrijven en de begroting van de Belgische staat?

Sinds aanslagjaar 2014 zijn binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen onderworpen aan de fairness tax. Deze belasting werd in het leven geroepen door de regering Di Rupo. Het gaat om een afzonderlijke aanslag van 5,15% bij de uitkering van dividenden die niet effectief belast worden in de vennootschapsbelasting omwille van de toepassing van de aftrek van overgedragen fiscale verliezen of van risicokapitaal.

Waar draait het precies om?

Bij de invoering van de fairness tax wilde de regering een minimumbelasting opleggen aan bedrijven die geen (of weinig) belastingen betalen via het mechanisme van de fiscale aftrek. Probleem: bij de invoering van deze taks rezen meteen vragen over de verenigbaarheid van deze wetgeving met het fiscaal recht in de Europese Unie.

Fortum Project Finance, een Belgisch filiaal van een Fins bedrijf, diende in februari 2014 een verzoek om nietigverklaring van deze taks in bij het Grondwettelijk Hof. Naar aanleiding van dit verzoek stelde het Grondwettelijk Hof drie vragen aan het Europees Hof van Justitie:

  • Is de fairness tax een bronbelasting die verboden is volgens de Europese Moeder-dochterrichtlijn?
  • Zijn de dividenden die Belgische vennootschappen ontvangen, die niet zijn vrijgesteld in België, in strijd met de richtlijn?
  • Gaat het verschil in behandeling tussen Belgische vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen in tegen de vrijheid van vestiging in de Europese Unie?

Verenigbare taks maar toch onder vuur

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft uiteindelijk haar oordeel geveld, maar dat advies blijft in zeker opzicht toch genuanceerd. De advocaat-generaal van het Hof van Justitie oordeelt immers dat de fairness tax &ldquo strijdig is met de Europese regelgeving ”, maar vindt wel dat de maatregel verenigbaar is met de vrijheid van vestiging die wordt bekrachtigd in de teksten en verdragen. Het probleem ligt meer bepaald bij de richtlijn voor moeder- en dochtervennootschappen in België. Volgens die richtlijn moeten dividenden die door een dochtervennootschap worden uitgekeerd aan haar moedervennootschap worden vrijgesteld van bronbelasting (onder voorwaarden). En dat is precies wat de fairness tax ter discussie stelt.

Ook een politieke inzet

“Er valt een lijk uit de kast”, zei minister van Financiën Van Overtveldt naar aanleiding van het advies van de advocaat-generaal. Zonder nu al een schatting te geven, kunnen de gevolgen voornamelijk vanuit budgettair standpunt immens zijn volgens de minister. De minister geeft bovendien aan “altijd grote twijfels te hebben gehad” bij deze taks. “En die twijfels worden nu bevestigd door het Hof.” De regering verduidelijkt dat ze momenteel werkt aan een hervorming van de vennootschapsbelasting om “deze belasting rechtvaardiger te maken voor kmo's”. Die werkzaamheden verlopen echter in een gespannen sfeer.

De Parti Socialiste blijft de minimale belasting inmiddels te vuur en te zwaard verdedigen. In de Waalse krant l'Avenir vermoedt Laurette Onkelinx, fractieleider in de Kamer, dat de minister profiteert van een “technische opmerking van de advocaat-generaal om multinationals een fiscaal cadeau te doen”. Ze pleit ervoor om “deze minimumbelasting te behouden, (...) een kwestie van fiscale rechtvaardigheid en tegemoetkoming voor de inspanningen die van de bevolking worden gevraagd.”

Article

13.02.2017

Les conséquences de la taxe douanière américaine

Analyse de Koen De Leus, Chief Economist chez BNP Paribas Fortis.

Au lieu de taxer les entreprises sur la différence entre les revenus et les coûts globaux, les Etats-Unis souhaitent opter pour une taxe portant uniquement sur la différence entre les revenus et les coûts domestiques. Vu que tous les biens consommés aux Etats-Unis n’y sont pas produits, et que tous les biens qui y sont produits n’y sont pas nécessairement consommés, les chiffres nécessitent une correction. Il s’agit de la taxe douanière. Les importateurs paient une taxe de 20% sur les revenus réalisés aux Etats-Unis. Les exportateurs reçoivent un subside de 20% sur les produits exportés. Ce subside est nécessaire pour éviter de pénaliser les exportateurs. Vraiment ?

A première vue, on pourrait qualifier ce système de double protectionnisme : vous augmentez le coût des importations et vous baissez celui des exportations. Mais ce système ne tient pas compte de la probable évolution des taux de change, estime l’agence de recherche BCA. Imaginez que seule une taxe à l’importation soit appliquée : cela réduirait les importations, ainsi que la demande en devises étrangères. Le cours de change de ces devises baisserait et compenserait la taxe. La hausse du dollar aurait ainsi un impact négatif sur les exportations, avec comme conséquence une hausse du déficit de la balance commerciale. Pour éviter ce problème, on introduit parallèlement un subside à l’exportation. Le dollar augmente à un niveau qui ne touche ni les exportations ni les importations. Du moins en théorie.

Dans ce cas, quel est l’avantage d’une telle taxe douanière ? Elle augmenterait sensiblement l’impôt sur le revenu aux Etats-Unis. Aujourd’hui, de nombreuses sociétés internationales évitent de payer des impôts aux Etats-Unis. Les importateurs surestiment la valeur de leurs importations, et les exportateurs sous-estiment celle des exportations. Les importateurs comme Wal-Mart pourront encore surévaluer le prix de leurs importations, mais devront payer une taxe à l’importation. Idem pour les exportateurs comme General Electric. Et vu que le déficit de la balance commerciale américaine se monte à 500 milliards de dollars, la taxe douanière rapporterait 100 milliards de dollars. C’est un montant important comparé aux 350 milliards de dollars d’impôt des sociétés aujourd’hui perçu par le Trésor public, et qui permet de réduire considérablement cette taxe sans perte de revenus.

La question est bien entendu de savoir dans quelle mesure une telle taxe entraînerait une hausse du dollar. Si cette hausse est lente, les importateurs souffriront beaucoup, et les exportateurs seront les grands gagnants. Si le dollar augmente trop rapidement, cela comblera peut-être l’impact de la taxe douanière. La plupart des économistes penchent plutôt pour le premier scénario. Dans ce cas, la facture sera payée par les Américains les moins nantis et les importateurs. Il s’agit surtout de ceux qui consacrent proportionnellement une plus grande partie de leurs revenus à l’achat de biens importés par les grandes chaînes de magasins.

Les principales conclusions de Koen De Leus sont les suivantes :

  • En cas de taxe douanière, le dollar va continuer à remonter.
  • Bien qu’une telle taxe puisse se justifier sur base de considérations macro-économiques, elle sera considérée comme du protectionnisme d’un point de vue politique, et pourrait de ce fait créer un dangereux précédent.
  • Comme les grands exportateurs sont aussi importateurs, cette taxe pèsera sur les grandes chaînes de distribution. Pour Peter Navarro, le patron du nouveau « White House National Trade Council », c’est aussi effectivement l’objectif de l’administration Trump.

Si les Etats-Unis réduisent l’impôt des sociétés, la Belgique se retrouvera en première position d’un nouveau classement : celui du pays occidental dont l’impôt des sociétés est le plus élevé.

(Source : Economic Express Koen De Leus)

Discover More

Contact
Close

Contact

Klachten

Zou u onderstaande vragen kunnen beantwoorden? Zo kunnen wij uw aanvraag sneller en op een meer geschikte manier behandelen. Alvast bedankt.

Is uw onderneming/organisatie klant bij BNP Paribas Fortis?

Mijn organisatie wordt bediend door een Relationship Manager:

Uw boodschap

Bedankt

Uw bericht is verzonden.

We antwoorden u zo snel mogelijk.

Terug naar de huidige pagina›
Top