Article

29.05.2020

Houden de scheepvaart en de havens het hoofd boven water tijdens de coronacrisis?

Een haven is een ecosysteem op zich. Hoe laat de coronacrisis zich daar gelden? En op welke wijze helpt de bank de bedrijven daar?

Een haven is een ecosysteem op zich. Alles is er groter dan in het gemiddelde systeem: de volumes, de financiële transacties, de bedrijven, … Maar wat met de impact van de coronacrisis? We vroegen het aan twee experten van de bank: Guy Haesevoets en Danny De Lelie. 

 

In welke mate voelt de scheepvaart, en de haven, de invloed van de coronacrisis?

Guy Haesevoets (Corporate Coverage – Ports Practice): De lockdown in veel landen heeft in eerste instantie het aanbod van producten verminderd. Veel fabrieken lagen stil, de vraag naar goederen viel terug. Goederen worden wereldwijd voornamelijk vervoerd via containerschepen. De plotse vermindering van de volumes betekende dan ook dat de rederijen minder gingen varen, zodat heel wat schepen nu werkloos voor anker liggen. Dus minder laden en lossen, waardoor de haventerminals, en de dokwerkers, minder werk en inkomsten hebben.

Daarnaast moeten rederijen het hoofd bieden aan veel operationele problemen. In veel gevallen, bijvoorbeeld, kan de bemanning niet worden afgelost, en zit ze al 4 tot 6 maanden onafgebroken aan boord...

Danny De Lelie (Commercial Banking – BC Antwerpen Haven en Waasland): De havens zijn een kritische sector voor de economie. Bij de uitbraak van de coronacrisis is de haven van Antwerpen dan ook operationeel gebleven. Voorlopig is de impact op de actoren in de haven nog beperkt, maar het verleden leert dat in de logistieke sector die impact veelal met enige vertraging volgt. Vandaag kent de 'warehousing', de opslag en behandeling van goederen, in de Antwerpse haven een hogere bezettingsgraad van de magazijnen omdat er minder af- en aanvoer is. Dus meer inkomsten via verhuur, maar minder uit behandeling.

Vandaag zien we al moeilijkheden ontstaan omdat de facturatie vaak vertraging oploopt.  Nu er minder schepen varen kunnen expediteurs hun goederen minder snel bij hun klanten krijgen en krijgen ze hun facturen later betaald, vooral bij grotere corporates.

 

De crisis heeft dus ook invloed op de internationale handelstransacties?

Guy: In onze sterk geglobaliseerde wereld liggen de locaties van productie en consumptie voor veel goederen (fruit en groenten, wagens, elektrische toestellen, …) ver uit elkaar. Een wereldwijde daling van de vraag heeft dan ook een grote invloed op de internationale handel. Ze doet de inkomsten van de havenbedrijven sterk dalen, terwijl hun vaste kosten van de haveninfrastructuur (kranen, rollend materieel,…) blijven doorlopen. Voor bedrijven met een krappe cashpositie kan dat al snel leiden tot liquiditeitsproblemen. Tot vandaag valt die daling best nog wel mee, maar binnen een paar weken zal de trend wellicht meer voelbaar worden.

 

In welke mate kan de bank inspelen op de vragen en behoeften van de havenbedrijven?

Danny: Als bank doen we dat tijdens de huidige crisis vanuit diverse invalshoeken. Om te beginnen kunnen we een moratorium (kapitaaluitstel) op termijnkredieten toekennen. Zeker de logistieke bedrijven hebben vaak een belangrijke schuldgraad. Het moratorium biedt dan alvast financiële zuurstof voor de komende zes maand. Daarnaast kunnen bedrijven ook nog voor één jaar een extra krediet aanvragen dat in belangrijke mate onder staatswaarborg valt.

Ook de oplossingen via factoring (bevoorschotting van klanten en voorraden) en reverse factoring (bevoorschotting van leveranciers) kunnen interessant zijn om extra behoefte aan werkkapitaal te financieren. En ofschoon sommige van de grotere investeringsprojecten zijn uitgesteld omwille van de crisis, is er nog steeds de business as usual: we blijven rendabele en duurzame projecten onverminderd financieren.

Guy: Indien de crisis lang blijft duren, zullen veel bedrijven de opgelopen verliezen moeten opvangen met eigen middelen, wat hun solvabiliteit kan aantasten.  De internationale scheepvaart is per definitie een zeer volatiele sector, de meeste bedrijven hebben dan ook een buffer aan liquiditeiten om hen door de storm te loodsen. Maar na verloop van tijd zullen ze toch vers kapitaal nodig hebben, en dan kunnen wij hen adviseren om bijvoorbeeld hun kapitaalstructuur te verbeteren via de uitgifte van aandelen of obligatieleningen, het aantrekken van nieuwe investeerders,... Het is momenteel dan ook van groot belang dat we dicht bij onze bedrijven staan en hun behoeften, en de noden van de volledige maritieme supply chain, tijdig detecteren dankzij onze sectorkennis.

 

BNP Paribas Fortis en de havens

Bij BNP Paribas Fortis richten binnen Corporate Banking twee teams zich op maritieme activiteiten. Bij Commercial Banking, voor de middelgrote en grote bedrijven, is dat ‘Port & Logistics’ voor de Antwerpse haven; bij Corporate Coverage, voor de grootste bedrijven, doet ‘Ports Practice’ dat.

Beide volgen ze via hun relatiebeheerders de shipping- en havengerelateerde bedrijven, en bij Corporate Coverage ook de twee Belgische baggeraars (Jan De Nul en Deme), van dichtbij op via een sectoriële benadering. Voor de financiering van zeeschepen werken de teams daarbij zeer goed samen met dat van Shipping & Offshore Finance  in Parijs. Daarmee onderscheidt de bank zich van de concurrentie in haar streven om bij uitstek de bevoorrechte financiële partner te zijn van de Belgische shipping- en havenbedrijven.

 

Leerstoel ‘Transport, Logistiek en Havens’ verlengd

Daarnaast coördineert  Ports Practice al sinds 2010 ook de leerstoel ‘Transport, Logistiek en Havens’ die de bank steunt aan de Universiteit van Antwerpen. Die leerstoel houdt de vinger aan de pols van de sector: de uitdagingen van de maritieme sector identificeren en de belangrijkste actoren binnen de havengemeenschap bij elkaar brengen om samen naar creatieve oplossingen te zoeken voor de lokale en wereldwijde uitdagingen van de haven van morgen.

Recent verlengde de bank haar samenwerking met een jaar, tot 30 september 2021. Commentarieerde Didier Beauvois, Hoofd BNP Paribas Fortis Corporate Banking, daarbij: “Via deze leerstoel zetten we schitterend onderzoek verder dat direct bruikbaar is voor de brede havengemeenschap. We verlengen deze samenwerking dan ook graag om academici, industrie, collega’s en klanten samen te brengen. Door een community te creëren en samenwerking te faciliteren, wakkeren we de innovatiezin aan en maken we bedrijven competitiever.“

Meer weten over deze leerstoel? Klik hier.

Article

18.05.2020

De maritieme sector houdt er (voorlopig) de vaart in

Maritiem transport is een uiterst belangrijke transportmodus voor internationale handel. Het is cruciaal dat de maritieme keten niet onnodig verstoord wordt, zoals door de coronacrisis.

Maritiem transport is een uiterst belangrijke transportmodus voor internationale handel. Het is cruciaal dat de maritieme keten niet onnodig verstoord wordt, zoals door de coronacrisis. Transporteconoom Christa Sys die ook verbonden is aan de Leerstoel BNP Paribas Fortis Transport, Logistiek en Havens, deelt graag haar visie.

‘Quarantaine’ heeft maritieme oorsprong

Iedereen praat vandaag over ‘quarantaine’. Weinigen weten dat dit woord regelrecht uit het maritiem transport komt. In de 14de eeuw lieten Italiaanse handelssteden schepen uit besmette streken (pest, cholera) veertig dagen (quaranta giorni) voor anker liggen in Italiaanse havens. Ook nu, tijdens de coronacrisis, kwamen cruiseschepen (Japan, Egypte, België…) in quarantaine te liggen. Daarnaast pasten sommige havenautoriteiten (bv. Singapore) strikte quarantainevoorschriften toe op alle schepen uit China, en willen sommige rederijen naar bepaalde landen (bv. Italië) niet meer varen.

Grotere impact dan de financiële crisis

Het is nu nog te vroeg om zicht te krijgen op de proporties van de economische impact van de coronacrisis. Duidelijk is wél dat deze crisis van een andere orde kan zijn dan de SARS-epidemie in 2003 en de financieel-economische crisis in 2008. In tegenstelling tot de financiële crisis heeft het coronavirus een impact op de aanbodzijde én de vraagzijde. Afhankelijk van de ontwrichting van de economie (bijvoorbeeld het aantal faillissementen) zal de economie terug aantrekken in 2021 (volgens IMF) of in 2023 (volgens de OESO).

Prof. Christa Sys: “Alles hangt af van het onder controle krijgen van het coronavirus. Lukt dit in het tweede kwartaal, dan volgt snel herstel, maar dat ziet er niet naar uit.”

Kopzorgen voor de maritieme sector

Er bestaat niet zoiets als ‘de’ maritieme sector. Het is een sector met verschillende deelmarkten, waarvan de grootste segmenten droge bulk (43%), liquide bulk (31%) en containervaart (13%) zijn. Onmiddellijk voelbaar voor de rederijen in alle deelmarkten zijn de operationele uitdagingen:

  • Bemanning: uitstel van bemanningswissels;
  • Vaarroutes: afname havenaanlopen;
  • Scheepsonderhoud: rederijen verliezen geld aan schepen die vastliggen in afwachting van onderhoud;
  • Scheepsbouw: er is vandaag geen mogelijkheid om werven te bezoeken;
  • Scheepsafbouw: afname arbeidskrachten op de sloopmarkt.

Andere problemen zijn gelinkt aan de onzekere evolutie van de vrachtprijzen – de belangrijkste bron van inkomsten voor de rederijen – en de verminderde activiteit.

  • Lage olieprijzen hebben de vraag naar (super)tankers voor ruwe olie op korte termijn enorm doen stijgen, maar de coronacrisis zal ook de tankermarkt nog verstoren. Op lange termijn zal de vraag naar ruwe olie vertragen door lagere economische activiteit (± 25% daling van binnenlands olieverbruik) en annulering van vliegreizen (kerosine).
  • De rederijen actief op de LNG-markt (Liquefied Natural Gas) worden geconfronteerd met het sluiten van havens in onder andere India en Pakistan.
  • Droge bulk is een gefragmenteerde markt, zowel in termen van vraag als aanbod. De grootste schepen worden geconfronteerd met een lage vraag naar ijzererts, terwijl de kleinere schepen – die grondstoffen als graan, rijst, suiker (voedingsindustrie) en cement (bouwsector) transporteren – sowieso onder druk komen te staan in tijden van zwakke economische groei.
  • Aanvankelijk was de impact voor de containervaart minder voelbaar, maar inmiddels is door de snel veranderende marktsituatie (lockdowns) ook de vraag naar containers afgenomen.

Prof. Christa Sys: “Rederijen met financiële reserves zullen hiertegen opgewassen zijn. Anderen gaan afzien of dit misschien niet te boven komen.”

Impact op de Antwerpse haven

België is een open economie met zeer belangrijke zeehavens. Ons land drijft vooral handel met Europese landen. Onze belangrijkste handelspartners zijn Frankrijk, Duitsland, Nederland en Italië. En ook de trafiek in de havens van Antwerpen en Zeebrugge betreffen voor het grootste deel Europese bestemmingen, gevolgd door trafiek van en naar Azië. In 2019 was volgens de FOD Economie de Chinese markt goed voor respectievelijk 1,8% en 2,8% van de totale Belgische export en import.
De haven van Antwerpen heeft het voordeel een prominente rol te spelen in de zogenaamde ‘continue sector’ of chemische sector die 24/7 blijft werken. Recent kenden onze haventerminals zelfs hogere ladingsvolumes, maar ze zullen snel met onvoorspelbare stromen en extreme vraagpieken (incl. stockage) geconfronteerd worden.

Prof. Christa Sys: “Op middellange tot lange termijn zullen ook de Belgische havens een terugval van activiteit kennen.”

En wat op langere termijn?

Dat het scheepvaartlandschap zal wijzigen, is zeker. Meer en meer wordt gefluisterd dat een langdurige economische ontwrichting er uiteindelijk toe kan leiden dat verschillende industrieën, waaronder de scheepvaart, moeten nadenken over een te grote afhankelijkheid van één land of continent, en misschien moeten overwegen om sommige activiteiten buiten landen als China te verplaatsen. Werkt de coronacrisis als een eyeopener? Wij volgen alvast de trends voor u op.

Contact                                 

Bent u actief in de maritieme sector en zoekt u naar een ervaren (gespreks)partner voor uw projecten? Onze experten van Ports & Practice en Business Centre Antwerpen-Haven-Waasland helpen u graag verder! Vul hier het contactformulier in.

(Bron: blog van Prof. Sys d.d. 15 april 2020)

Article

01.03.2016

Betere bereikbaarheid bedrijven cruciaal

Het fileleed zit de werkende Belg hoog. Zo hoog, dat het een serieuze domper op de arbeidsvreugde zet. Zelfs uw retentiebeleid lijdt eronder.

Bijna een kwart (23%) van alle werknemers wil immers van werk veranderen. Niet omdat de job zelf hem of haar de keel uithangt, maar gewoon om dichter bij huis te werken en minder pendeltijd te verliezen. Dat blijkt uit een onderzoek van Securex.

De HR-dienstverlener vroeg aan 1.671 Belgische werknemers hoe lang ze naar en van het werk onderweg zijn. Vooral Brusselaars zijn de woon-werkverplaatsing grondig beu, constateert Hermina van Coillie, HR-expert bij Securex:

“Niet minder dan 1 op de 3 Brusselse werknemers overweegt om die reden van werk te veranderen. In Wallonië is dat 1 op de 4, in Vlaanderen 1 op de 5. Niet verrassend: vooral mensen met kinderen (31%) dromen van een werkplek dichter bij huis. Ook al is dat niet dé  mirakeloplossing. Uit de studie blijkt dat zo een verhuis niet noodzakelijk tijdwinst oplevert.”

Hoe dan ook: voor bedrijven die hun medewerkers ’s morgens graag met een smile op hun gezicht zien binnenwaaien, zijn het zorgwekkende cijfers.

Oplopende reistijd

 Het is niet zozeer de afstand die op het gemoed van de pendelaar weegt, maar de reistijd. En die loopt op. Tot 54 minuten per dag: zoveel tijd verliest de Belg gemiddeld om zich van en naar zijn werk te verplaatsen. Veel hangt af van het vervoermiddel. Wie wandelt of fietst, is per dag gemiddeld 29 minuten onderweg. Met de auto loopt het op tot bijna een uur. De trein dan maar? Dat valt tegen: het openbaar vervoer wordt vaak als filevrij alternatief naar voor geschoven, maar met de trein, de tram en de bus loopt de gemiddelde reistijd tot 96 minuten per dag op. Als we straks in een zelfsturende auto kunnen werken (of een kaartje leggen voor wie aan carsharing doet), dreigt de trein veel van zijn charme te verliezen.

U zou uw medewerkers kunnen aanraden om niet van werk, maar van adres te veranderen. Maar dan mag u als onderneming liefst niet midden in de stad zitten. Uw verhuisde werknemer legt dan misschien wel minder kilometers af, maar dat levert niet altijd tijdwinst op. Een werknemer verliest 61 minuten pendeltijd om zich te verplaatsen van en naar een werkgever in een Belgische stad. Buiten de stad is dat een kwartier minder. Vooral in Brussel is de toestand penibel. Ruim 60% van wie in Brussel werkt, is meer dan één uur onderweg. In Vlaanderen en Wallonië is dat maar voor 21% het geval. Vooral de Brusselaars zelf komen er bekaaid af. Ze verliezen per dag meer dan anderhalf uur (95 minuten) pendeltijd. In Vlaanderen en Wallonië schommelt dat rond de 50 minuten.

Inzetten op bereikbaarheid

Laatste frappante cijfers uit het Securex-onderzoek: 71% van de werknemers rijdt meestal met de auto naar het werk. 15% stapt of fietst, 14% neemt het openbaar vervoer. Als de voorspellingen van het Federaal Planbureau uitkomen, blijven de Belgische wegen ook in de toekomst verder dichtslibben en zal het fileleed niet verminderen, integendeel. On the road again… again… is de bedrieglijk vrolijk klinkende titel van een studie die het Planbureau eind 2015 voorstelde.

Kort samengevat: als er niets verandert, staan we in 2030 nog langer in de file dan vandaag. Bij een ongewijzigd beleid stijgt het aantal reizigerskilometers tegen 2030 met 11% en het aantal tonkilometers met 44% (in vergelijking met 2012). Het wegvervoer blijft dominant en is in 2030 goed voor 87% van de reizigerskilometers, waarvan 82% met de wagen, en 70% van de tonkilometers, waarvan 66% met de vrachtwagen. Gevolg: de gemiddelde snelheid van het verkeer daalt verder. Tijdens de spitsuren zullen we 24% langer in de file staan. Geen prettig vooruitzicht...

Article

01.03.2016

Meer flexibiliteit en lagere kosten dankzij mobiliteitsbudget

De verkeersknoop ontwarren zal een brede waaier aan oplossingen vergen. Het mobiliteitsbudget is er alvast één van.

Bestaat er een remedie tegen het fileleed? Meer wegen aanleggen is alvast geen oplossing, want ook die zullen weer dichtslibben. De kilometerheffing voor vrachtverkeer dan? Die zou voor iets minder vrachtwagens moeten zorgen, maar hun plaats wordt wellicht ingenomen door personenwagens. Bovendien zal de heffing bestelwagens nog populairder maken dan ze al zijn. Tegen 2030 leggen die 43% meer kilometers af. Ook de accijnsverhoging op diesel doet de files nauwelijks krimpen, berekende het Planbureau.

Veel experts wijzen met een beschuldigende vinger naar de bedrijfswagens. In België krijgen die een te genereuze behandeling, vinden ze. Zowel de OESO als de Europese Commissie hekelt het fiscale voordeel voor bedrijfswagens in ons land. ‘De helft van de wagens op Belgische wegen zijn bedrijfswagens’, hoor je weleens beweren. Dat klopt niet. Het CVO (Corporate Vehicle Observatory)  vroeg bij de autofederatie Febiac de inschrijvingscijfers van het Belgisch voertuigenpark op:

  • België telt een kleine 700.000 lichte bedrijfsvoertuigen en ongeveer 930.000 andere voertuigen (autobussen, vrachtwagens, motorfietsen, ...).
  • Het leeuwendeel van de voertuigen - ongeveer 5,6 miljoen - zijn echter personenwagens. Daarvan behoren er 4,48 miljoen toe aan particulieren en 1,12 miljoen aan ondernemingen en zelfstandigen. Die laatste zijn dus niet de enige boosdoeners als het op verkeerscongestie aankomt. Enkel en alleen de gunstige fiscale regeling voor bedrijfswagens afbouwen zal niet volstaan om het probleem op te lossen.

Mentaliteitsverandering

 Dé wonderpil bestaat niet: de remedie zal uit veel puzzelstukjes bestaan. Er is vooral een mentaliteitsverandering nodig. Misschien wilt u uw medewerkers graag sensibiliseren om voor elke rit de meest efficiënte, minst vervuilende en prijsvriendelijke vervoersmodus te kiezen. Dat wordt in de toekomst mogelijk, via een mobiliteitsbudget. Bij Arval Belgium, een van de grote spelers op de leasemarkt, zijn ze die formule aan het klaarstomen. Els Costers (sales director Arval Belgium):

“Het concept is eenvoudig. In plaats van de medewerkers een auto, parkeerplaats, treinabonnement of leenfiets te geven, krijgen ze een mobiliteitsbudget. Met dat budget kunnen ze een afgesproken bedrag besteden aan een brede waaier van transportmiddelen: bedrijfswagen, openbaar vervoer, fiets, poolwagen, … De werkgever bepaalt de hoogte van het budget en het aanbod aan transportmiddelen. Werkgever en werknemer spreken ook af voor welke verplaatsingen het mobiliteitsbudget geldt: alleen voor woon-werkverkeer en professionele verplaatsingen, of ook voor zuiver privégebruik.”

Pluspunten

 Het mobiliteitsbudget heeft veel voordelen voor de werkgever:

  • U wordt een aantrekkelijke werkgever, want u stimuleert flexibel werken en biedt uw werknemers keuzevrijheid en een flexibele mobiliteitsoplossing.
  • U haalt uw MVO-doelstellingen (maatschappelijk verantwoord ondernemen) door het openbaar vervoer te stimuleren en door het aantal wagens, gereden kilometers en liters brandstof terug te schroeven.
  • U verlaagt uw TCM (total cost of mobility), want u hebt meer controle over uw leasevoertuigen, betaalt vaker voor gebruik in plaats van voor bezit en vermindert de administratieve druk.

Uw werknemers krijgen dan weer meer vrijheid en flexibiliteit bij de organisatie van hun verplaatsingen. Ten slotte vaart ook het milieu er wel bij. De toenmalige Vlaamse mobiliteitsminister Hilde Crevits bestelde in 2012 het proefproject Mobiliteitsbudget werkt. Dat toonde aan dat werknemers die over een mobiliteitsbudget beschikken, de wagen vaker aan de kant laten staan en op een andere vervoersmodus overschakelen. Bij de vijf bedrijven die het systeem uittestten, daalde het autogebruik voor woon-werkverplaatsingen met 37%.

Een fantastisch systeem dus, dat mobiliteitsbudget. Waarom is het dan nog geen gemeengoed? Daarvoor is het wachten op een nieuwe wet die een berg juridische struikelblokken uit de weg moet ruimen, vooral op het vlak van fiscaliteit en RSZ. Het wetsvoorstel ligt wel al klaar. Els Costers:

“Vandaag is het voor een werkgever onmogelijk om al die vervoersmodi open te stellen. De juridische regels zijn anders voor professionele, woon-werk- en privétrajecten en ze verschillen ook per vervoermiddel. Dat maakt de administratie erg complex en tijdrovend. Het mobiliteitsbudget doorkruist al die regels. De nieuwe wet moet dat oplossen. Als ze er is, kan het snel gaan.”

Klaar voor het mobiliteitsbudget? Enkele vuistregels!

Wie nu al in de richting van een mobiliteitsbudget wil evolueren, houdt best rekening met volgende punten:
  • Om mobiliteitsbudgetten op te stellen, moet er eerst een analyse gemaakt worden van de werking van de organisatie en de verplaatsingsgewoonten. Zo kunt u nagaan welke combinaties wenselijk, haalbaar en rendabel zijn.
  • Betrek de sociale partners bij de introductie van het mobiliteitsbudget.
  • Volgende combinaties zijn vandaag fiscaal mogelijk:
    • bedrijfswagen én belastingvrije bedrijfsfiets
    • bedrijfswagen én fietsvergoeding
    • bedrijfswagen én openbaar vervoer
    • kleinere of elektrische auto voor dagelijks gebruik met ruimere gezinswagen tijdens vakantieperiodes. In dat geval moet het Voordeel van Alle Aard (VAA) wel in functie van het gebruik berekend worden. 
  • Zet maximaal in op flexibiliteit. Met een formule als Arval Select kunnen bestuurders van leasewagens bijvoorbeeld gebruikmaken van verschillende voertuigen naargelang hun wisselende mobiliteitsbehoeften. 
Article

01.03.2016

Leasemaatschappijen ontpoppen zich tot mobiliteitsconsulenten

Leasemaatschappijen zoals Arval Belgium evolueren van pure verhuurders naar mobiliteitsconsulenten met een breed aanbod van oplossingen.

Wat heeft Arval Belgium, een van de grote spelers op de leasemarkt, nog in de lade liggen om in te spelen op de nieuwe visie op mobiliteit? Els Costers, sales director:

“We ontwikkelen een mobiliteitsplatform, onder de naam Arval Mobility Link. Daarin zitten drie modules. Eén van die modules is het Mobiliteitsbudget. Wanneer het wettelijk kader en een uniforme fiscale behandeling van dit mobiliteitsbudget op punt staan, zullen organisaties behoefte hebben aan een duidelijk overzicht van de verschillende mobiliteitsmodi, de kosten en de verplaatsingen.

De tweede daarvan is het dynamisch leasebudget. Die tool mikt specifiek op leaserijders. Vandaag spreekt u met uw leaserijders af dat ze per jaar een bepaald aantal kilometers mogen rijden - bijvoorbeeld 30.000 kilometer. Dat maximum is een passe-partout: het is hetzelfde voor iedereen. Rijdt uw werknemer meer kilometers, dan kan dat eventueel afgerekend worden. Rijdt iemand anders er minder - pakweg 10.000 kilometer - dan heeft hij pech. Jammer, want de looninlevering wordt berekend op 30.000 kilometer per jaar, niet op die 10.000.”

Bonus-malus

Het dynamisch leasebudget werkt eerlijker. Per werknemer of groep werknemers wordt bepaald hoeveel kilometer ze per jaar mogen rijden. Om dat cijfer te bepalen, wordt de woon-werkafstand in rekening gebracht. Wie de moeite doet om van Limburg naar Brussel te pendelen, is op die manier niet langer slechter af dan een collega die van Vilvoorde komt. Een werknemer die minder kilometers rijdt, bouwt een spaarpotje op. Dat kunt u later als bonus of op een andere manier uitbetalen. Wie meer kilometers rijdt, vraagt u om wat bij te betalen - bijvoorbeeld 5 cent per kilometer. Werknemers die samen carpoolen, krijgen dan weer een bonus. Hetzelfde geldt voor chauffeurs die hun tank bij een goedkoop benzinestation vullen of een zuinige rijstijl hanteren.

Els Costers: “Wij leveren de tool en helpen de werkgever om een regeling op maat uit te werken. Hoe die regeling precies in elkaar zit, hangt van de streefdoelen van de organisatie af: kosten beheersen, minder kilometers rijden, minder brandstof verbruiken, de CO2-uitstoot terugdringen, de medewerkers aanmoedigen om te carpoolen of andere vervoersmodi te gebruiken, ...”

Arval Mobility Link wordt nog dit jaar uitgerold. Dat kan snel gebeuren. Dit is wat u nodig hebt: een regeling die past bij de doelstellingen van uw organisatie, een platform waarop alles geregistreerd wordt, een zwarte doos in de leasewagen en... een eerlijke medewerker. Die moet immers op zijn laptop of smartphone de gereden kilometers aan de juiste categorie toewijzen: woon-werk, professioneel of privé.

“De black box die we gaan gebruiken voor het Arval Mobility Link-platform, gebruiken we nu al voor de telematicaoplossing Arval Active Link”, legt Els Costers uit. “Het toestel registreert onder andere de verplaatsingen, hoe snel men rijdt, remt en optrekt, het brandstofverbruik,... Dat kan helpen om medewerkers bewust te maken van hun rijgedrag en aansporen om zuinig, defensief en veilig te rijden.”

Reiskosten

Veel ondernemingen hebben een eerder beperkte leasevloot. Maar ze betalen wel reiskosten terug. De eerste module onder Arval Mobility Link, de Reiskostenvergoeding, mikt specifiek op medewerkers zonder leaseauto of mobiliteitsbudget. Via die tool kunnen hun reiskosten eenvoudig beheerd en vergoed worden, vertelt Katrien Jacobs (business team manager Arval Belgium):

“Vandaag is het reiskostenverhaal in veel bedrijven een papierslag: medewerkers brengen hun treinkaartjes, parkeertickets en briefjes van het tankstation binnen, waarna die in een map of in het beste geval in een spreadsheet bijgehouden worden. Daarna kan het maanden duren voor het bedrag op de rekening van uw medewerker overgeschreven wordt. Niet handig. Met deze tool kunnen de medewerkers hun reiskosten online declareren. En door een link te maken met het HR-platform van de organisatie, verlopen ook de terugbetalingen makkelijker.”

Discover More

Contact
Close

Contact

Klachten

Zou u onderstaande vragen kunnen beantwoorden? Zo kunnen wij uw aanvraag sneller en op een meer geschikte manier behandelen. Alvast bedankt.

Is uw onderneming/organisatie klant bij BNP Paribas Fortis?

Mijn organisatie wordt bediend door een Relationship Manager:

Uw boodschap

The Label Key Captcha not found

captcha
The Label Key PrivacyNoticePart1 not found The Label Key PrivacyNoticeLinkTxt not found The Label Key PrivacyNoticePart2 not found

Bedankt

Uw bericht is verzonden.

We antwoorden u zo snel mogelijk.

Terug naar de huidige pagina›
Top