Article

26.06.2018

Hoe vermijdt u de valkuilen van de intracommunautaire btw?

Wanneer een bedrijf een handelsrelatie heeft met leveranciers of klanten in andere lidstaten van de Europese Unie, zijn de regels voor de intracommunautaire btw van kracht ... Hoewel het principe niet zo ingewikkeld is (let wel op met de uitzonderingen), moet u het systeem wel correct toepassen om nadelige financiële gevolgen te vermijden!

Het beheer van de belasting op de toegevoegde waarde (btw) is voor veel bedrijven geen eenvoudige klus. Zeker niet wanneer ze zakendoen met Europese partners uit verschillende landen. In zo'n geval gelden er voor de btw immers speciale regels! Sinds de komst van de 'interne markt' in 1993 moesten de lidstaden namelijk blijven zorgen voor de fiscale opvolging van hun goederen en hun nationale systemen zo goed mogelijk op elkaar afstemmen. De regelgeving is dan wel veranderd in de loop der jaren, maar die stap zorgde wel voor het ontstaan van de intracommunautaire btw.

Voor wie? En onder welke voorwaarden?

Concreet: de intracommunautaire btw geldt voor alle bedrijven die goederen verkopen aan (levering) of kopen bij (aankoop) een professional in een ander Europees land. Ook voor de uitwisseling van diensten geldt dezelfde regel. Wanneer het gaat om goederen, steunt de toepassing van de belasting op een eenvoudig principe: het land van de levering bepaalt de plaats waar de belasting verschuldigd is. Met andere woorden: verkoopt een Belgisch bedrijf (leverancier) goederen vanuit België aan een Duitse klant, dan is de belasting niet in België verschuldigd. En omgekeerd, als het Belgische bedrijf (klant) goederen koopt die uit een andere lidstaat komen, dan wordt die aankoop in België belast. In dat geval moet het Belgische bedrijf dus de btw betalen, maar kan het die ook aftrekken bij zijn btw-aangifte. Dat noemen we de verleggingsregeling.

En voor diensten? Voor diensten geldt een gelijkaardig principe, in het bijzonder wanneer de prestatie plaatsvindt in het land van de klant: dan is de btw ten laste van de professionele afnemer. Bij de leverancier wordt dan geen btw aangegeven. Maar let wel op! Zowel voor goederen als voor diensten bestaan er een aantal uitzonderingen op deze algemene regel (aankoop van niet-vervoerde goederen, verkoop op afstand, dienstverlening in het land van de leverancier enz.). Die uitzonderingen kunnen uitmonden in bijzondere vereisten.

Correcte toepassing van de verleggingsregeling

Hoewel het algemene principe eenvoudig te begrijpen is, moeten de voorwaarden van de verleggingsregeling nauwgezet worden gerespecteerd om een weigering door de fiscale administratie of zelfs boetes of verwijlintresten te vermijden. Neem nu het voorbeeld van een Belgisch bedrijf dat leveringen doet in Europa en dus de btw voor rekening van zijn klant wil. Eerst moet dat bedrijf ervoor zorgen dat de goederen wel degelijk vanuit België worden vervoerd en het grondgebied verlaten naar de andere lidstaat. Het bedrijf moet dus aantonen dat het transport heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld met een bestelbon, een factuur van de transporteur of een ander bewijsstuk. Vervolgens moet het Belgische bedrijf zich ervan vergewissen dat de klant een professional is die onderworpen is aan de btw en over een intracommunautair btw-nummer beschikt. Het bedrijf kan dat controleren via het VIES-platform.

Controleer uw facturen: check en dubbelcheck!

De factuur (die u ontvangt of opstelt) is eveneens cruciaal voor de leverancier die vrijgesteld wil zijn van de btw of voor de klant die de btw wil aftrekken. Deze bijzondere elementen zijn essentieel om binnen Europa handel te drijven:

  • De 'verleggingsregeling' moet verplicht worden vermeld op het document. Een vergetelheid kan u duur komen te staan!
  • Let goed op de btw-nummers van de klant en van de leverancier en ook op andere identificatiegegevens.
  • Ook de omschrijving van het bedrag is van belang: de factuur moet immers geen verwijzing naar een percentage of btw-bedrag bevatten aangezien de verrichting vrijgesteld is van btw.

Een Belgisch bedrijf dat leveringen doet binnen Europa en vrijgesteld is van btw, moet overigens wel nog steeds – elke maand of om de drie maanden – een overzicht bezorgen aan de fiscale administratie met daarin zijn verrichtingen met bedrijven die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie.

Wees in elk geval dus steeds op uw hoede en zorg ervoor dat u alle regels naleeft. Advies vragen aan een specialist is natuurlijk ook altijd een goed idee!

Article

24.10.2016

Kilometervergoeding voor elektrische fiets niet altijd fiscaal vrijgesteld

Werknemers die met de fiets naar het werk rijden, kunnen een fietsvergoeding krijgen tot 22 eurocent per kilometer. De regeling geldt in principe ook voor elektrische fietsen. Sommige modellen zoals de speed pedelec, vallen echter uit de boot.

De elektrische fiets wint terrein: ruim één op vier verkochte tweewielers is een elektrisch exemplaar.  Steeds meer mensen gebruiken hun fiets ook om te pendelen. Werkgevers kunnen hun fietsende medewerkers een fietsvergoeding uitbetalen. Tot 0,22 EUR per kilometer is die vergoeding fiscaal onbelast. Het moet dan wel gaan om een “klassieke” elektrische fiets:

  • met een maximumsnelheid van 25 km/u;
  • met een motor van maximum 250 watt;
  • met trapondersteuning, wat betekent dat de fietser ook moet trappen, er mag dus geen sprake zijn van een autonome motor.

Niet voor speed-pedelecs

Die voordelige regeling geldt dus niet voor speed pedelecs, zeg maar de Formule 1-versie van de elektrische fiets. Speed pedelecs kunnen snelheden tot 45 km/u halen. Sinds 1 oktober moeten bestuurders daarom een helm, rijbewijs en verzekering hebben.

Voor alle duidelijkheid: pendelaars die gebruik maken van een speed pedelec kunnen wel degelijk een kilometervergoeding krijgen van hun baas. Maar die uitkering wordt dan wel  beschouwd als een belastbaar inkomen. De werknemer zal dus zowel RSZ als bedrijfsvoorheffing moeten betalen. Op die regel bestaat één uitzondering: medewerkers die kiezen voor een forfaitaire aftrek van hun beroepskosten. Zij hebben recht op een fiscale vrijstelling van maximum 380 EUR.

Wat met bedrijfsfietsen?

Werkgevers kunnen hun medewerkers een fiets ook ter beschikking stellen. Alle kosten die daaruit voortvloeien, onder andere het onderhoud, zijn vrijgesteld van belastingen. Voorwaarde is dat de medewerker de fiets daadwerkelijk gebruikt voor zijn woon-werkverkeer, al zijn zuivere privé-verplaatsingen ook toegestaan. Deze regeling geldt alleen voor de klassieke elektrische fietsen. Speed pedelecs vallen (opnieuw) niet onder deze fiscale vrijstelling.

(Bron: Partena)
Article

11.12.2016

Waarom het Europees Hof van Justitie het einde van de fairness tax aankondigt

Volgens de advocaat-generaal van het Hof van Justitie is de fairness tax in strijd met de Europese fiscale regelgeving. Maar wat zijn de gevolgen voor de Belgische bedrijven en de begroting van de Belgische staat?

Sinds aanslagjaar 2014 zijn binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen onderworpen aan de fairness tax. Deze belasting werd in het leven geroepen door de regering Di Rupo. Het gaat om een afzonderlijke aanslag van 5,15% bij de uitkering van dividenden die niet effectief belast worden in de vennootschapsbelasting omwille van de toepassing van de aftrek van overgedragen fiscale verliezen of van risicokapitaal.

Waar draait het precies om?

Bij de invoering van de fairness tax wilde de regering een minimumbelasting opleggen aan bedrijven die geen (of weinig) belastingen betalen via het mechanisme van de fiscale aftrek. Probleem: bij de invoering van deze taks rezen meteen vragen over de verenigbaarheid van deze wetgeving met het fiscaal recht in de Europese Unie.

Fortum Project Finance, een Belgisch filiaal van een Fins bedrijf, diende in februari 2014 een verzoek om nietigverklaring van deze taks in bij het Grondwettelijk Hof. Naar aanleiding van dit verzoek stelde het Grondwettelijk Hof drie vragen aan het Europees Hof van Justitie:

  • Is de fairness tax een bronbelasting die verboden is volgens de Europese Moeder-dochterrichtlijn?
  • Zijn de dividenden die Belgische vennootschappen ontvangen, die niet zijn vrijgesteld in België, in strijd met de richtlijn?
  • Gaat het verschil in behandeling tussen Belgische vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen in tegen de vrijheid van vestiging in de Europese Unie?

Verenigbare taks maar toch onder vuur

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft uiteindelijk haar oordeel geveld, maar dat advies blijft in zeker opzicht toch genuanceerd. De advocaat-generaal van het Hof van Justitie oordeelt immers dat de fairness tax &ldquo strijdig is met de Europese regelgeving ”, maar vindt wel dat de maatregel verenigbaar is met de vrijheid van vestiging die wordt bekrachtigd in de teksten en verdragen. Het probleem ligt meer bepaald bij de richtlijn voor moeder- en dochtervennootschappen in België. Volgens die richtlijn moeten dividenden die door een dochtervennootschap worden uitgekeerd aan haar moedervennootschap worden vrijgesteld van bronbelasting (onder voorwaarden). En dat is precies wat de fairness tax ter discussie stelt.

Ook een politieke inzet

“Er valt een lijk uit de kast”, zei minister van Financiën Van Overtveldt naar aanleiding van het advies van de advocaat-generaal. Zonder nu al een schatting te geven, kunnen de gevolgen voornamelijk vanuit budgettair standpunt immens zijn volgens de minister. De minister geeft bovendien aan “altijd grote twijfels te hebben gehad” bij deze taks. “En die twijfels worden nu bevestigd door het Hof.” De regering verduidelijkt dat ze momenteel werkt aan een hervorming van de vennootschapsbelasting om “deze belasting rechtvaardiger te maken voor kmo's”. Die werkzaamheden verlopen echter in een gespannen sfeer.

De Parti Socialiste blijft de minimale belasting inmiddels te vuur en te zwaard verdedigen. In de Waalse krant l'Avenir vermoedt Laurette Onkelinx, fractieleider in de Kamer, dat de minister profiteert van een “technische opmerking van de advocaat-generaal om multinationals een fiscaal cadeau te doen”. Ze pleit ervoor om “deze minimumbelasting te behouden, (...) een kwestie van fiscale rechtvaardigheid en tegemoetkoming voor de inspanningen die van de bevolking worden gevraagd.”

Article

13.02.2017

Les conséquences de la taxe douanière américaine

Analyse de Koen De Leus, Chief Economist chez BNP Paribas Fortis.

Au lieu de taxer les entreprises sur la différence entre les revenus et les coûts globaux, les Etats-Unis souhaitent opter pour une taxe portant uniquement sur la différence entre les revenus et les coûts domestiques. Vu que tous les biens consommés aux Etats-Unis n’y sont pas produits, et que tous les biens qui y sont produits n’y sont pas nécessairement consommés, les chiffres nécessitent une correction. Il s’agit de la taxe douanière. Les importateurs paient une taxe de 20% sur les revenus réalisés aux Etats-Unis. Les exportateurs reçoivent un subside de 20% sur les produits exportés. Ce subside est nécessaire pour éviter de pénaliser les exportateurs. Vraiment ?

A première vue, on pourrait qualifier ce système de double protectionnisme : vous augmentez le coût des importations et vous baissez celui des exportations. Mais ce système ne tient pas compte de la probable évolution des taux de change, estime l’agence de recherche BCA. Imaginez que seule une taxe à l’importation soit appliquée : cela réduirait les importations, ainsi que la demande en devises étrangères. Le cours de change de ces devises baisserait et compenserait la taxe. La hausse du dollar aurait ainsi un impact négatif sur les exportations, avec comme conséquence une hausse du déficit de la balance commerciale. Pour éviter ce problème, on introduit parallèlement un subside à l’exportation. Le dollar augmente à un niveau qui ne touche ni les exportations ni les importations. Du moins en théorie.

Dans ce cas, quel est l’avantage d’une telle taxe douanière ? Elle augmenterait sensiblement l’impôt sur le revenu aux Etats-Unis. Aujourd’hui, de nombreuses sociétés internationales évitent de payer des impôts aux Etats-Unis. Les importateurs surestiment la valeur de leurs importations, et les exportateurs sous-estiment celle des exportations. Les importateurs comme Wal-Mart pourront encore surévaluer le prix de leurs importations, mais devront payer une taxe à l’importation. Idem pour les exportateurs comme General Electric. Et vu que le déficit de la balance commerciale américaine se monte à 500 milliards de dollars, la taxe douanière rapporterait 100 milliards de dollars. C’est un montant important comparé aux 350 milliards de dollars d’impôt des sociétés aujourd’hui perçu par le Trésor public, et qui permet de réduire considérablement cette taxe sans perte de revenus.

La question est bien entendu de savoir dans quelle mesure une telle taxe entraînerait une hausse du dollar. Si cette hausse est lente, les importateurs souffriront beaucoup, et les exportateurs seront les grands gagnants. Si le dollar augmente trop rapidement, cela comblera peut-être l’impact de la taxe douanière. La plupart des économistes penchent plutôt pour le premier scénario. Dans ce cas, la facture sera payée par les Américains les moins nantis et les importateurs. Il s’agit surtout de ceux qui consacrent proportionnellement une plus grande partie de leurs revenus à l’achat de biens importés par les grandes chaînes de magasins.

Les principales conclusions de Koen De Leus sont les suivantes :

  • En cas de taxe douanière, le dollar va continuer à remonter.
  • Bien qu’une telle taxe puisse se justifier sur base de considérations macro-économiques, elle sera considérée comme du protectionnisme d’un point de vue politique, et pourrait de ce fait créer un dangereux précédent.
  • Comme les grands exportateurs sont aussi importateurs, cette taxe pèsera sur les grandes chaînes de distribution. Pour Peter Navarro, le patron du nouveau « White House National Trade Council », c’est aussi effectivement l’objectif de l’administration Trump.

Si les Etats-Unis réduisent l’impôt des sociétés, la Belgique se retrouvera en première position d’un nouveau classement : celui du pays occidental dont l’impôt des sociétés est le plus élevé.

(Source : Economic Express Koen De Leus)

Article

06.03.2017

Wet op crowdfunding: wat is er veranderd in België?

Op 1 februari 2017 zijn nieuwe regels rond crowdfunding van kracht geworden. Wat houdt dat kader in en wat betekent dat voor uw beleggingen?

Op 1 februari 2017 zijn nieuwe regels rond crowdfunding van kracht geworden. De wet, die in december vorig jaar door het parlement werd goedgekeurd, regelt voortaan het juridisch statuut en de werking van crowdfundingplatformen.

"Crowdfunding is een participatieve financieringswijze waarbij via een internetplatform een beroep wordt gedaan op privé-investeerders om een specifiek project te financieren."

In België zal bovenop de directe investering een belastingkorting worden toegekend voor iedere financiering in een startende kmo, een startersfonds of een financieringsinstrument. Maar let op, want de wet vermeldt enkele voorwaarden. Zo mag enkel worden geïnvesteerd in vennootschappen die minder dan vier jaar geleden zijn opgericht. De investering moet gebeuren voor een periode van vier jaar. De kmo mag op deze manier niet meer dan € 250.000 ophalen. Ten slotte is de investering van een particulier of een entiteit geplafonneerd op € 100.000 per jaar.  

Minister van Kmo's Willy Borsus herinnert er ten slotte aan dat de kmo's 'de ruggengraat' van de economie zijn, want zij maken 99,2% van alle ondernemingen uit: "Het is van kapitaal belang dat er wordt geïnvesteerd in deze jonge structuren, in die starters, en dat naast de klassiekere financiële diensten dit aanvullende type financiering wordt ondersteund."

De platformen kunnen een erkenning aanvragen

Sinds 1 februari kunnen platformen die aan crowdfunding willen doen, een erkenningsaanvraag indienen bij de FSMA. Volgens minister van Digitale Agenda Alexander De Croo is het systeem met de erkenning van de alternatieve financieringsplatformen nu volledig.

Concreet wordt nu een belastingkorting gegeven aan wie een participatie neemt in het kapitaal van een jonge kmo. Die korting kan tot 45% gaan voor micro-ondernemingen (10 werknemers per jaar en 700.000 euro jaaromzet) en tot 30% voor kmo's.

De vier beleggingsvoorwaarden zijn:

  • Een directe investering in een onderneming uit de doelgroep (in aandelen of deelbewijzen, reeds van kracht sinds 1 juli 2015);
  • Een investering in een onderneming uit de doelgroep door de commercialisering via een platform (hier is de belegger rechtstreeks aandeelhouder van de onderneming);
  • Een belegging in een financieringsinstrument dat vervolgens via een platform investeert in een onderneming uit de doelgroep (de belegger is geen aandeelhouder van de onderneming, het is het 'instrument' dat aandeelhouder blijft);
  • En ten slotte, een belegging in een startersfonds dat vervolgens in meerdere ondernemingen investeert (met risicospreiding).
   

Alle details vindt u op de site van de FSMA.   

Discover More

Contact
Close

Contact

Klachten

Zou u onderstaande vragen kunnen beantwoorden? Zo kunnen wij uw aanvraag sneller en op een meer geschikte manier behandelen. Alvast bedankt.

Is uw onderneming/organisatie klant bij BNP Paribas Fortis?

Mijn organisatie wordt bediend door een Relationship Manager:

Uw boodschap

Bedankt

Uw bericht is verzonden.

We antwoorden u zo snel mogelijk.

Terug naar de huidige pagina›
Top