Article

13.06.2016

Hoe duurzaam is duurzaam?

Duurzaamheid is vaak een kwestie van perceptie, en uiteraard spelen er ook economische belangen mee. Enkele “duurzaamheidstoppers” onder de loep:

Elektrische wagens

Een auto op batterijen is minder vervuilend dan een auto met een brandstofmotor – toch als de elektriciteit niet in een bruinkoolcentrale werd opgewekt. Maar een echte transitie op het vlak van mobiliteit vergt naast die technologische revolutie ook een gedragsverandering.

De winst die technologische vooruitgang levert, wordt immers vaak tenietgedaan door hogere consumptie. Het rebound effect, heet dat in het jargon. Alle klassieke auto’s vervangen door evenveel elektrische exemplaren is ook milieubelastend en lost het fileprobleem niet op. Veilige fietspaden, comfortabel en betaalbaar openbaar vervoer en systemen van autodelen doen dat wel. Een ander voorbeeld van het rebound effect: de opbrengst van zonnepanelen gebruiken om het zwembad te verwarmen of om ’s nachts de hele tuin met kunstlicht te verlichten.

Korte keten?

Stadslandbouw, voedselkilometers beperken, plaatselijke productie, ... de korte keten is een hype. Het is inderdaad een eenvoudige manier om duurzamer te produceren en te consumeren, maar daarom niet de alleenzaligmakende oplossing. In de korte keten gooi je bijvoorbeeld het kind van de fair trade met het badwater weg.

De uitdaging hier: een lange keten creëren die sociaal rechtvaardig én ecologisch duurzaam is. Niet makkelijk, maar je kunt wel meer duurzame doelstellingen afvinken. Als de boeren en handelaars in het Zuiden een correcte prijs krijgen voor bananen, koffie en chocolade en als de milieu-impact van het transport minimaal blijft, heb je ook een duurzaam systeem.

Anderzijds: met garnalen uit de Noordzee van en naar Marokko varen om ze daar te laten pellen, is niet duurzaam - zelfs al worden de pellers er correct voor betaald. Tip voor wie ze zelf wil pellen: kopje eraf draaien, enkele schaaltjes verwijderen, op de staart knijpen en klaar! 

 

Article

13.06.2016

Overheid en social profit kunnen duurzaamheid promoten via aankoopbeleid

De aankopen van de openbare sector zijn in Europa goed voor 19% van het bnp. Die aankoopkracht is een vaak onderbenut breekijzer om de economie duurzamer te maken.

Publieke organisaties hebben samen een enorme koopkracht. Die kunnen ze gebruiken om de hele economie op een duurzamer pad te sturen. Dat gebeurt nog te weinig, vindt Mieke Pieters. Ze werkte lang als strategisch aankoopexpert bij de Stad Gent en organiseerde vorig jaar de conferentie Ecoprocura. Tegenwoordig geeft ze met The Global Picture training en advies over duurzaam aankoopbeleid, facility management en ketenbeheer.

Mieke Pieters: “De overheid is, samen met de social profit, een reus op lemen voeten: het potentieel is enorm, maar het wordt nog bijna niet gebruikt. Nochtans kun je via je aankoopbeleid duurzame doelstellingen realiseren zonder extra geld uit te geven.”

Duurzaamheidscriteria in een overheidsopdracht plakken is maar de eerste stap op de ladder van een matuur aankoopbeleid. Volgende stap is de ontwikkeling van een aankoopstrategie. Dat kan relatief eenvoudig, op voorwaarde dat de organisatie een duidelijke strategie heeft. Mieke Pieters:

“Dat kan bijvoorbeeld zijn: tegen 2020 willen we onze CO2-uitstoot met 20% terugdringen. Maar het kan ook zijn: we willen de sociale economie stimuleren. Het is dan aan de aankoopafdeling om de strategie van de organisatie naar aankoopdoelstellingen te vertalen.”

Reële behoeften, doordachte bestekken

Een duurzaam aankoopbeleid start niet met de vraag ‘Wat willen we aankopen?’, maar met de vraag ‘Wat hebben we echt nodig?’. Zonder nadenken de 50 benzinewagens van de vloot vervangen door 50 hybride wagens, is niet de goede weg, legt Mieke Pieters uit:

“Stel je eerst de vraag of de organisatie wel 50 wagens nodig heeft. Als je ze efficiënt inzet, heb je misschien genoeg aan 25 wagens. Die mogen dan op het vlak van duurzaamheid echt state of the art zijn en wat meer kosten. Of je kunt voor een deel overstappen naar autodelen. Of het gebruik van de elektrische fiets stimuleren; 80% van de duurzaamheidsimpact heeft te maken met nadenken over wat je echt nodig hebt. Die oefening kun je evengoed maken voor computers, bureaumaterieel, ...”

Met behulp van goed doordachte bestekken kunnen overheidsorganisaties en social-profitinstellingen ook hun leveranciers op het duurzame pad zetten. Voor zo’n organisaties rijden er elke dag honderden bestelwagens rond met papier, maaltijden, linnengoed, ... Geef de leverancier met de meest duurzame wagenvloot extra punten en je bent alweer een eind opgeschoten.

Mieke Pieters: “Hetzelfde gaat op voor andere duurzaamheidscriteria. Een hot topic is bijvoorbeeld duurzaam ketenbeheer. Geen enkele stad wil horen dat de kasseistenen voor haar straten door kinderen gekapt worden, net zoals een ziekenhuis graag heeft dat de werkkledij in menswaardige arbeidsomstandigheden geproduceerd is.

Of neem het thema van de sociale tewerkstelling. Als overheid kun je een deel van je kansenbeleid realiseren via overheidsopdrachten. Als er bijvoorbeeld een nieuwe school gebouwd wordt, kun je een tewerkstellingsclausule in je bestek opnemen. Daarin verbindt de aannemer zich ertoe om een afgesproken aantal jongeren uit de werkloosheid te halen, op te leiden en een contract te geven als ze goed zijn. Vaak gaat het om knelpuntberoepen, dus die werkgever heeft daar zeker ook wat aan.

Je kunt een aannemer ook vragen om voor bepaalde arbeidintensieve, repetitieve taken een beroep te doen op de sociale economie. Die medewerkers kunnen dan bijvoorbeeld de werf voorbereiden voor de eigenlijke schildersploeg komt en achteraf weer opruimen.”

Duurzame normen

Die nieuwe ideeën rond duurzaamheid veroorzaken een revolutie in de aankoopwereld. In 2016 of 2017 komt er bijvoorbeeld een nieuwe ISO-norm rond duurzame aankopen (ISO 20400). CPO’s (chief procurement officers) van grotere organisaties zullen, geruggensteund door hun aankoopploeg en in overleg met het management, wel snel bijbenen. Maar wat met de aankopers in een gemeente of een andere kleinere organisatie? Daar creëer je best een team rond die aankoper, vindt Pieters:

“De mensen van die ploeg moeten bepalen wat de strategie en de doelstellingen zullen zijn, dat kan die aankoper niet alleen. Een tweede mogelijke piste is je aansluiten bij een grotere aankoopgroep. Steeds meer kleinere gemeenten doen hun aankopen samen met steden, die wel een goed uitgebouwde aankoopploeg hebben. Door die gezamenlijke slagkracht kun je een duurzaam aankoopbeleid voeren tegen de beste prijs.”

5 quick wins

  1. Geef in bestekken voorrang aan leveranciers met een moderne, ecologische vloot.
  2. Stap over op recycleerbare verpakkingen die de leverancier weer meeneemt.
  3. Koop producten met duurzame labels (FSC of PSC, Ecolabel, Max Havelaar, Fair Trade, ...).
  4. Kies voor ecologische verf en voor schildersbedrijven die inzetten op kansengroepen.
  5. Meet wat je al gedaan hebt (energiebesparingen, overstappen van meerdere individuele printers naar een gemeenschappelijke multifunctionele printer, ...) en communiceer dat ook. Zonder communicatie bestaan duurzame ingrepen niet en kun je ook geen draagvlak creëren.
Article

13.06.2016

Bottom-up duurzaamheid: de comeback van de coöperatieve

Niet alle zegen komt van boven. Ook bottom-up broeit er van alles. Burgers komen zelf met vernieuwende, duurzame initiatieven op de proppen. Hoe speel je daar als overheid op in?

Autodelen, gemeenschapslandbouw, cohousing, sociale fietsateliers, voedselteams die collectief bij de boer kopen, gemeenschappelijke moestuintjes, buurtbewoners die samen in een windturbine investeren, … Stuk voor stuk zijn het transitie-ideeën waarmee burgers zelf op de proppen komen. De rode draad is het coöperatieve gedachtegoed. Zeker in de wat grotere steden wordt er volop mee geëxperimenteerd. Bottom-up dus. Hoewel?

“In de praktijk zit er soms ook wat top-down bij. Veel van die initiatieven worden immers mee in gang gezet door mensen die voor de lokale overheid werken”, weet Thomas Block, docent duurzaamheid en governance aan de Universiteit Gent. “Ze dragen twee petten. Dat zorgt soms voor verwarring. Op een overleg weten ze soms niet meer of ze daar als burger of als ambtenaar zitten. Ze kunnen ook in conflict komen met het bestuur of andere stadsdiensten. Neem bijvoorbeeld het project van de leefstraten, waarbij bewoners met steun van de stad zelf tijdelijk een autovrije ‘droomstraat’ creëren. Wat gebeurt er als een minderheid van de buurt niet mee wil? Moet je als overheid dan doordrijven? En wat doe je als de brandweer dwarsligt?”

Sommige burgerinitiatieven doven snel uit, andere slaan wel aan. Autodeelsystemen als Cambio groeien bijvoorbeeld als kool. Wat maakt een beweging succesvol? Verschillende factoren spelen een rol, zegt Thomas Block:

De rol van de burgers

Rode draad bij veel duurzame burgerinitiatieven is de coöperatieve gedachte: mensen bundelen de krachten en voelen zich sterk genoeg om de dingen anders aan te pakken. Voor de initiatiefnemers zelf is het sociale aspect soms zelfs belangrijker dan het duurzaamheidsverhaal. Ze willen niet altijd in de eerste plaats de aarde redden, maar vinden er plezier in om de dingen eens anders aan te pakken. 

De rol van de overheid

Voor een stad of gemeente is het niet altijd duidelijk of en hoe ze duurzame burgerinitiatieven moet ondersteunen. Een financieel duwtje is welkom, het delen van knowhow ook. Maar het is zelden een goed idee om het initiatief helemaal over te nemen en zelf te beheren. De stad of gemeente moet het een beetje durven los te laten, de mensen hun ding laten doen. Ze onderdrukt liefst ook de neiging om een passe-partoutoplossing te ontwikkelen. Elk initiatief ontstaat in een eigen context en vergt een aparte aanpak. Het is maatwerk. 

De rol van de beleidsondernemers

In het jargon heten ze policy entrepreneurs. Beleidsondernemers zijn politici, ambtenaren of burgers die zich als bevlogen ondernemers gedragen. Ze zien opportuniteiten, zetten een uitgebreid netwerk in, verbinden burgers en overheidsdiensten en engageren zich onvermoeibaar. Ze weten bovendien welke beleidspaden er bewandeld moeten worden om iets gedaan te krijgen. 

De maturiteit van het project

Het initiatief moet ‘matuur’ genoeg zijn om in te spelen op de barsten die in een groot systeem ontstaan zijn. Neem opnieuw het mobiliteitssysteem, historisch gemaakt op maat van de individuele autobezitter. De barsten in het systeem zijn bekend: fijn stof, fileleed en lawaai, en op een hoger niveau de klimaatopwarming en de uitputting van de grondstoffen. Autodelen buit die barsten uit en biedt een alternatief aan waar steeds meer burgers wel wat in zien. Het systeem is zelfbedruipend. De lokale overheid draagt haar steentje bij door parkeerplaatsen te reserveren op cruciale locaties en door zelf in het systeem te stappen.

Thomas Block plaatst weliswaar twee voetnoten bij al dat coöperatief voluntarisme:

  • Zelfs een succesvol initiatief kan de ‘gevestigde orde’ niet altijd aan het wankelen brengen. The powers that be zijn niet alleen ‘de industrie’ of ‘het grootkapitaal’, maar ook de burgers zelf. Lokaal, biologisch en seizoensgebonden eten slaat aan bij een deel van de bevolking. Maar veel meer consumenten blijven vinden dat aardbeien en boontjes het hele jaar door in de supermarktrekken moeten liggen.
  • De burgers die zich in coöperatieve initiatieven engageren, behoren meestal tot de blanke, progressieve en kritische middenklasse. Een minderheid van de bevolking, dus.

Lokaal en globaal winnen aan macht

In veel beleidsdomeinen wordt de macht van de natiestaten uitgehold. Met duurzaamheid is het niet anders. Lokale overheden en globale instituten winnen aan macht:

Meer macht voor de burgemeesters

Natiestaten zijn te groot om directe democratie mogelijk te maken. Bovendien blokkeren ze internationale samenwerking, omdat ze geen gezag over hun grondgebied uit handen willen geven, stelt de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber. Daardoor staan ze in de weg van oplossingen voor grensoverschrijdende problemen, zoals de opwarming van de aarde.

In zijn boek If Mayors ruled the World beschrijft Barber hoe steden wel de troeven hebben om globale problemen aan te pakken. Los Angeles heeft zijn CO2-uitstoot bijvoorbeeld nu al met 20% teruggedrongen, terwijl de VS als natie veel minder ver staat. Ook veel andere steden stellen zichzelf ambitieuzere streefdoelen op het vlak van CO2-reductie dan andere overheden.

Nu al zoeken veel steden samen met andere steden naar oplossingen voor problemen, in allerlei netwerken en organisaties zoals Eurocities. Dat mag nog verder gaan, vindt Barber. Hij pleit voor een wereldwijd parlement van burgemeesters met 300 zetels, waarbij de deelnemende steden wisselen en drie keer per jaar samenkomen om (niet-bindende) voorstellen goed te keuren.

“Steden zouden meer bewegingsruimte moeten krijgen, zowel op financieel als juridisch gebied”, vertelt Barber in een interview met het Nederlands journalistiek onlineplatform De Correspondent. “Steden hebben gemiddeld meer gemeenschappelijk dan landen. Als Duitsland groeit, wordt Polen kleiner. Als Berlijn groeit, heeft Krakau daar geen last van. Ik zie New York sneller samenwerken met Moskou dan Obama met Poetin.”

Meer macht voor Europa en globale instituten

Een sterk orgaan dat wereldwijd dingen kan afdwingen? De VN komt in de buurt, maar het nadeel is dat het een klein groepje spelers is dat beslist. Dichter bij huis worstelt de Europese Unie met een democratisch deficit dat nog groter is dan dat van de natiestaten. Maar net dankzij de afstand tussen de Europese instellingen en de Europeanen kan de EU soms onpopulaire, maar duurzame maatregelen doordrukken. Denk maar aan de mestproblematiek. Het mechanisme is bekend: nationale politici ‘vragen’ Europa om strengere milieu- en andere normen op te leggen, waarna ze aan de burgers kunnen zeggen: ‘Het moet van Europa’.

Article

13.06.2016

De Pensioentoren: 50 jaar oud en superzuinig

De Zuidertoren in Brussel, betere bekend als de Pensioentoren, dateert al van 1964. Toch is het vandaag een van de meest energiezuinige kantoortorens van het land.

De Zuidertoren (150 meter, 36 verdiepingen, 41.000 m² nuttige oppervlakte, 1.670 personeelsleden) is het hoogste gebouw van België. De buitenschil - een glasgevel - werd twintig jaar geleden al vernieuwd. Toch was er nog ruimte voor besparing, hoopten ze bij de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP).

In 2008 richtte facility management samen met Veolia, dat de technische installaties beheert, een Energy Team op. Dat team voerde een energie-audit uit en slaagde er vervolgens in om de energiefactuur en de CO2-uitstoot drastisch terug te schroeven. Hoe hebben ze dat gedaan?

Marc Leunens (facilitair manager RVP): “We hebben de noodtrap, die tot de 36ste verdieping loopt, geïsoleerd en de medewerkers op het hart gedrukt om de lichten en de pc’s uit te schakelen wanneer ze vertrekken. Maar het grootste verschil hebben we gemaakt door de verwarming en afkoeling anders aan te pakken. Daardoor daalde het elektriciteitsverbruik op vier jaar tijd met 29% en het stookolieverbruik zelfs met 37%: we zakten van 760.000 liter in 2009 naar 443.000 liter in 2013. Alles samen konden we meer dan 6.000 ton CO2-uitstoot vermijden - dat is de gemiddelde uitstoot van 1.600 huishoudens.”

Een kantoortoren wordt traditioneel met stookolie verwarmd. Zeker in het tussenseizoen zijn de drie stookolieketels van de Pensioentoren ‘overkill’, zegt Marc Leunens:

“In het voorjaar en het vroege najaar volstaat het vaak om ’s morgens eventjes te stoken en dan niet meer. Daarom hebben we twee extra verwarmingsbronnen geïnstalleerd. De eerste is een warmtekrachtkoppeling. De motor wordt aangedreven door gas en produceert zowel elektriciteit als warmte. We gebruiken die twee zo veel mogelijk tegelijk. De stroom gaat naar de servers in onze dataroom, want die moeten constant draaien. De warmte gebruiken we in het tussenseizoen om te verwarmen. Extra voordeel: voor warmtekrachtkoppeling konden we rekenen op groenestroomcertificaten.

Een tweede nieuwe bron zijn twee warmtepompen. Ze draaien op groene elektriciteit. Een van de twee is een hogetemperatuurwaterpomp - de eerste in zijn soort in een Europees kantoorgebouw. Dankzij die nieuwe systemen kunnen we veel langer wachten om onze stookolieketels in gang te steken.”

Permanente zoektocht

Het Energy Team blijft verder zoeken naar energiewinst. Dat wordt wel steeds moeilijker, geeft Marc Leunens toe:

“We zoeken uit of we kleinschalige windturbines op het dak kunnen plaatsen. Onze toren is een van de vijf meest geschikte plaatsen in Brussel om zoiets te doen. Daarnaast zijn we bezig met een kleine studie naar ledverlichting. Het probleem is dat we onze lampen 15 jaar geleden al eens vervangen hebben door spaarlampen. Als we die nu allemaal vervangen door ledlampen, dan hebben we ofwel te veel lichtopbrengst, ofwel moeten we het aantal verlichtingsarmaturen verminderen. Maar dan zouden we ook de plafonds moeten aanpassen. Dat wordt zeer duur, zeker in combinatie met die prijzige ledlampen.

In elk geval blijven we zoeken. We willen heel graag het EMAS-certificaat behouden dat we in 2008 behaald hebben. Zo’n ‘Eco-Management and Audit Scheme’ is een Europees managementinstrument voor organisaties die continu op zoek gaan naar betere milieuprestaties.”

Energieprestatiecontract: de truc van de huurder

Het is de huurder die de energiefactuur betaalt. Waarom zou de verhuurder of de externe installatiebeheerder dan willen investeren in zuiniger systemen? Het kost hem geld en het brengt niets op. De truc van de huurder? Het energieprestatiecontract. Marc Leunens legt uit:

“Je neemt een referentiejaar voor het verbruik, waarbij je wat bijstuurt voor de zeer koude en zeer warme dagen. Wij hebben daarvoor een weerstationnetje op het dak staan, maar je kunt dat ook via het KMI nagaan. Verbruiken we minder energie dan dat referentiejaar om de afgesproken comforttemperatuur te bereiken, dan betalen wij een lagere factuur. De winst delen we met onze dienstverlener. Verbruiken we meer, bijvoorbeeld door een minder goede afregeling van het systeem, dan betaalt de dienstverlener het verschil terug. Door dat bonusmalussysteem heeft die laatste een financiële stimulans om mee te werken aan een zo zuinig mogelijk gebouw.”

Article

01.02.2016

Factoring: een succesverhaal

Factoring zit in de lift: vorig jaar klokte de markt af op een totaal van 61,2 miljard euro, goed voor een indrukwekkende groei van maar liefst 10,5%. Het marktaandeel van BNP Paribas Fortis steeg lichtjes van 38,4 naar 38,6%.

Ignace De Keyser, Sales & Marketing Director bij BNP Paribas Fortis Factor, licht het toenemende succes van factoring toe.

Hoe evolueert de Belgische factoringmarkt? Ziet u bepaalde trends?

“De groeicijfers bewijzen het: factoring wint duidelijk aan belang.  Vroeger was factoring veeleer een reddingsboei , vandaag is het een mainstreamoplossing die makkelijk kan wedijveren met bancaire oplossingen.  De liquiditeitscrisis en de opeenvolgende maatregelen zijn hier natuurlijk niet vreemd aan.

Factoring is natuurlijk niet helemaal te vergelijken met een bancaire oplossing.  Factoring biedt een onderneming immers meer dan alléén maar een flexibele financiering.  Debiteurenbeheer en risicodekking vervolledigen het aanbod van de Factor, al zijn  deze diensten de jongste jaren op het achterplan geraakt.  Factoring heeft een groot deel van zijn populariteit te danken aan het financieringsluik.

De slepende economische onzekerheid, de zoektocht naar nieuwe afzetmogelijkheden en de vaststelling dat ‘too big to fail’ een illusie is, verplichten bedrijven hun lage marges te beschermen.  Meer en meer ondernemers voegen dit luik toe aan hun factoroplossing.

Ook het uitbesteden van het debiteurenbeheer zit opnieuw in de lift. Veel grotere bedrijven hadden zich op dit vlak al geprofessionaliseerd maar besteden  vandaag alle non-core business zo veel mogelijk uit.  BNP Paribas Fortis Factor is deze dienstverlening altijd blijven koesteren.  Klanten kunnen daardoor genieten van een gespecialiseerd team dat garant staat voor  een continue opvolging, zowel  in binnen- als buitenland.”

Vanwaar deze ommekeer?

“Daar zijn twee grote redenen voor. Eerst en vooral zijn onze dienstverlening en onze manier van werken de afgelopen jaren ingrijpend veranderd. Dat ligt hoofdzakelijk aan de ontwikkeling van nieuwe communicatietechnologieën. Een aantal jaar geleden verliep alle communicatie nog per post of per fax, moesten facturen manueel worden verwerkt en ingebracht in het systeem, gebeurde ook de rapportering manueel, … Kortom, een tijdrovend proces met veel kans op fouten.

Vandaag voert de overgrote meerderheid van onze klanten deze gegevensoverdracht volledig elektronisch uit, rechtstreeks vanuit hun boekhoudpakket. Daardoor neemt het hele proces – van het opstellen van de factuur door de klant tot het ontvangen van de financiering – nog maximaal 2 dagen in beslag, afhankelijk van de kwaliteit van het bestand dat we ontvangen. Ook het risico op fouten is hierdoor sterk verminderd. Dankzij die innovaties verloopt factoring tegenwoordig veel sneller en eenvoudiger dan vroeger, wat ook de kostprijs voor onze klanten positief heeft beïnvloed.

Ten tweede zijn ook de doelgroep en het gebruik van factoring sterk geëvolueerd. Vroeger stelden banken factoring voor aan klanten die te risicovol geworden waren om nog via traditionele kredieten te financieren. Een laatste kans op kortetermijnfinanciering, zeg maar, die de bank veel beter beschermde in geval van faillissement van de klant. Sommige ondernemingen zagen zich dus min of meer gedwongen om via factoring te werken en waren daar uiteraard niet zo gelukkig mee. Tel daar nog de administratieve omschakeling bij op en je snapt meteen waarom factoring een slechte naam kreeg. ‘Wat zullen mijn klanten denken?’ was in die tijd dan ook het vaakst gehoorde tegenargument.

De kentering kwam er enkele jaren geleden onder invloed van de Bazel II-regelgeving. Die verplichtte banken een kapitaalbuffer aan te houden om hun risicovolle activiteiten in te dekken. Voor factoring, lag die buffer beduidend lager dan voor klassieke kredieten, wat deze formule veel interessanter maakte voor de banken. Daarom begonnen ze factoring ook aan te bieden aan klanten met goede kredietwaardigheid, die er op hun beurt het potentieel van inzagen.

Door deze twee evoluties gaan steeds meer bedrijven gebruikmaken van werkkapitaalfinanciering via factoring, en dit voor een langere periode. Twintig jaar geleden bleef een klant gemiddeld 2 à 3 jaar bij ons, ondertussen is die termijn verdubbeld.”

Zal Bazel III die trend nog versterken?

“Dat staat als een paal boven water. Bazel III heeft de banken nog striktere kapitaalvereisten opgelegd, wat factoring alleen maar aantrekkelijker zal maken. Bovendien legt de nieuwe richtlijn veel krachtiger de nadruk op liquiditeit.

Daarbij speelt de operationele relatie tussen bank en klant een belangrijke rol: als een onderneming haar geldstromen toevertrouwt aan een bank, mag die het risico op verlies van liquiditeit als ‘beperkt’ inschatten en een lagere liquiditeitsbuffer aanhouden. Ook hier is factoring dus een schot in de roos.”

Wat maakt factoring dan zo aantrekkelijk voor ondernemingen?

 “Een financieel gezonde onderneming kan er baat bij hebben om de debiteurenadministratie aan ons uit te besteden. Terwijl wij achter de facturen aan gaan, kan de klant zich volop op zijn business toeleggen. In de overgrote meerderheid van de gevallen slagen we er ook in om de facturen 25% sneller te innen dan de klant zelf. Dankzij onze ervaring – we kennen de vaakst gebruikte smoezen – en naambekendheid kunnen we de debiteuren ertoe aanzetten hun betaaltermijnen beter te respecteren. Want niemand wil toch bij een financiële partner de indruk wekken een onbetrouwbare betaler te zijn?

Belangrijker is dat factoring een flexibeler vorm van financiering is dan klassieke bankkredieten. Zeker omdat de financiering de omzet volgt: als die stijgt en de onderneming meer facturen uitschrijft, stijgt de financiering mee. Heel interessant dus voor groeibedrijven.

Ook het ‘offbalance’ aspect van factoring speelt een doorslaggevende rol. Daardoor verbeteren zowel de balansratio’s als de kredietwaardigheid van de onderneming.”

Is het dan een typisch crisisproduct?

 “Neen, beslist niet. Factoring gedijt het best in economisch volatiele tijden, dus zowel in periodes van crisis als van groei. In die omstandigheden is het cruciaal dat ondernemingen hun vorderingen snel kunnen omzetten in cash. Bij een rustig voortkabbelende economie speelt dat effect minder.

Daarom kende de factoringmarkt ook zo’n enorme groei in de periode 2009-2010, toen de financieel-economische crisis in alle hevigheid woedde. Doordat debiteuren steeds later gingen betalen, kregen veel ondernemingen te kampen met liquiditeitsspanningen. Een snellere inning via factoring kan die spanning al voor een groot deel opvangen. Zeker als je die snellere inning koppelt aan een formule met risicodekking tegen niet-betaling en bescherming tegen debiteuren die in faling gaan.

Maar ook bij een opwaartse conjunctuurbeweging is factoring interessant. Als bedrijven meer orders binnenkrijgen en hun omzet stijgt, ontstaat er opnieuw een liquiditeitsspanning omdat hun behoefte aan werkkapitaal groeit. Factoring is dan een heel flexibele formule om die behoefte aan werkkapitaal te financieren op basis van de groeiende handelsvorderingen.

Een crisisproduct is het dus allerminst, elke onderneming kan er baat bij hebben. En de beste manier om het effect van factoring te bewijzen, is het gewoon te doen!”

Discover More

Contact
Close

Contact

Klachten

Zou u onderstaande vragen kunnen beantwoorden? Zo kunnen wij uw aanvraag sneller en op een meer geschikte manier behandelen. Alvast bedankt.

Is uw onderneming/organisatie klant bij BNP Paribas Fortis?

Mijn organisatie wordt bediend door een Relationship Manager:

Uw boodschap

Bedankt

Uw bericht is verzonden.

We antwoorden u zo snel mogelijk.

Terug naar de huidige pagina›
Top